Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Lenig

Paar keer per week denk ik: “Wat is alles toch goed georganiseerd!” En dan bedoel ik: in dit land. Of het helemaal waar is, weet ik niet zeker, maar het is goed voor mijn humeur het zo nu en dan te verzuchten. 
Je bestelt een medicijn bij de apotheek en een paar uur later wordt het je aan de deur overhandigd door een man met een bromfietshelm op. Zegt die er ook nog bij: “Kunt u weer een tijdje vooruit.”
Is iets wat ik iedere dag wil: weer een tijdje vooruit kunnen. Zaterdagochtend lukte dat niet met mijn auto. Die deed niets meer. Ik moest daar eerst even over piekeren. En toen belde ik de wegenwacht. De vrouw die ik aan de lijn kreeg, beloofde dat er over uurtje `iemand’ was. 
Ik woon in een buurt met veel smalle straatjes. In een ervan stond de auto. Ik voorzag een opstopping, veel getoeter en geschreeuw. 
Waar ik niet op gerekend had, was dat de wegenwachter op een motor arriveerde. Die parkeerde hij lenig op de stoep. Het zijn altijd vrolijke en hartelijke mannen en vrouwen voor wie geen zee te hoog gaat. Deze ook. Ik wist natuurlijk dat er iets met de accu was, waarschijnlijk mijn eigen schuld. Dat bekende ik, hij zei meteen dat het hem niets uitmaakte. 
Ik schopte luchtig tegen een van de achterdeuren: “Die krijg ik ook niet meer open!” Hij knikte: “U zult eens wat zien als de accu weer vol is.” Toen dat zo was (“U kunt weer de weg op”), liet hij zien wat er met deuren mogelijk is. Ik knikte stupéfait. Hij wees naar een reistas bij de achterbak. “Waar gaan we heen?”
Ik antwoordde: “Naar Bergen aan Zee.”
Hij stopte zijn spullen in een vak van de motor en zong zacht: “We gaan naar Bergen, al aan de zee.” 
Hij bleef tot ik vertrok en zwaaide tot ik om de hoek was verdwenen.