Sinds de Internationale Dag van het Geluk, jongstleden maandag, laat het geluk me niet met rust. Ik probeer erover op te houden, maar dat lukt maar niet.
Maandag was het, geloof ik, ja, op de Internationale Dag van het Geluk, dat ik dat filmpje zag van die koeien die eindelijk weer naar buiten mochten (lente!) en dansend van blijdschap de wei in renden. Ik werd er ontroerd vrolijk van. Die grote, logge dieren die eigenlijk niet kunnen dansen, maar toch dansten.
Dat het gisteren de Internationale Dag van het Geluk was, wist ik nog niet toen ik in alle vroegte door de laffe regen naar de fitnessclub fietste om daar vooral aan niets te denken terwijl ik met gewichten in de weer ging. Op de terugweg merkte ik er ook niets van. Het drong pas tot me door toen ik er thuis een bericht over las: International Day of Happiness – ook in het Engels, dan is het helemaal menens.
Misschien vreemd, maar ik vind het zielig voor de heer Spekman. Opstappen nu zijn partij het slecht gedaan heeft. Niet meteen, nee, op 7 oktober. Dan heeft hij nog een lange tijd te gaan, terwijl iedereen denkt: daar loopt een opgestapte man die over een halfjaar echt opstapt.
Altijd als ik iemand hoor zeggen dat hij niet in mijn of onze portemonnee kan kijken, denk ik: zeg alsjeblieft wat anders. Natuurlijk wordt niet de portemonnee als ding bedoeld, ik moet het breder zien, maar toch. In mijn omgeving is de portemonnee tamelijk zeldzaam. Een paar vriendinnen hebben er nog een en die lijkt op een klein koffertje. Er zit meestal geen geld in, maar van alles wat ze niet of slechts met de grootst mogelijke moeite kunnen vinden.
Als ik een stuk of tien brieven op de deurmat zie liggen, voel ik fijne blijdschap. Helaas zijn de brieven steeds vaker niet voor mij bestemd, maar voor de buren een eindje verderop of voor buren die nog wat verder wonen. Ik ga die dan bezorgen en terwijl ik dat doe, vind ik krachtig dat dit toch niet de bedoeling kan zijn. Ook kom ik er dikwijls achter dat brieven die wel voor mij bestemd zijn, mij niet bereiken. Misschien komen die wel bij buren terecht die geen zin hebben postbode te spelen.
De stralende en monter stemmende aanwezigheid van Dionne Stax kan natuurlijk niet lang genoeg duren, maar ineens ben je toch blij dat het allemaal voorbij is.
Het voelt een beetje aan als een jubileum, zonder dat ik dat gevoel kan onderbouwen. Ik heb het over mijn wandeling naar het stemlokaal. Voor de hoeveelste keer maak ik die? Dat is natuurlijk uit te rekenen, maar daar heb ik vandaag echt geen tijd voor, zeker niet voor die wandeling, want dan moet ik me concentreren op mijn rol van democraat. En daarna doet het er niet meer toe.
In een tankstation probeer ik meestal niet om me heen te kijken. Behalve dat ik een beetje in de war kan raken, wil ik ook ineens van alles kopen, ja, wat veel mensen shoppen noemen, dus koortsachtig dingen aanschaffen die ik niet nodig heb, bijvoorbeeld een geinig beertje met een pet op of stroopwafels in een trommel met Oudhollandse uitstraling.
Zweven doe ik nog maar een beetje. Ik denk bijna zeker te weten wat me overmorgen te doen staat. Bijna dus. En als we over een maand of zes een nieuwe regering hebben – ik ben optimistisch van nature, ga ik aan de nieuwe premier een brief schrijven. Misschien is die premier wel de man op wie ik woensdag ga stemmen. In die brief stel ik een vraag. Of hij vooral in het begin van zijn regeerperiode ieder toespraak afsluit met het verzoek dat niemand meer zegt dat hij of zij voor de inhoud gaat.