Misschien is de tijd er nog niet rijp voor. Kan ook zijn dat het een gepasseerd station is. Ik heb het over een ministerie waarvan ik weleens droomde, een droom die ik me bleef herinneren: het Ministerie van Emotionele Zaken. De bewindspersoon die over dat ministerie gaat, moet na ieder essentieel debat, waarin het er meestal fel aan toegaat, een slotwoord spreken.
Het hád wat, in de rij staan voor een theater of concertzaal. We deelden de vrolijke, spannende, verbijsterende sensatie die we dadelijk gingen meemaken. Ik houd niet zo van het woord voorpret, maar zoiets was het wel. Maar we kunnen niet zo goed meer tegen voorpret, het moet metéén pret zijn, liefst de volle mep. Daarbij hebben we ook steeds minder tijd voor een rij en ook wat anders te doen dan daar staan. Het gebeurt natuurlijk nog, ik vind het nog steeds geen probleem, maar het is wel een zonderling tafereel.
Bijna overal waar ik moet zijn, ben ik te vroeg. Komt doordat ik niet te laat wil komen. Voor de zekerheid bovendien: dan bén ik er alvast, is dáár tenminste niets tussen gekomen. Nu in het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik vaker had. Ze willen daar graag dat je je meldt bij een laadpaal in de hal, niet aan een balie. Is een tendens die je op meer plaatsen tegenkomt: als het niet per se nodig is, liever geen intermenselijk contact.
Bijna overal waar ik moet zijn, ben ik te vroeg. Komt doordat ik niet te laat wil komen. Voor de zekerheid bovendien: dan bén ik er alvast, is dáár tenminste niets tussen gekomen. Nu in het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik vaker had. Ze willen daar graag dat je je meldt bij een laadpaal in de hal, niet aan een balie. Is een tendens die je op meer plaatsen tegenkomt: als het niet per se nodig is, liever geen intermenselijk contact.
In deze krant las ik gisteren in de column van Kitty Herwijer dat diensplicht goed is voor het psychisch welzijn van jongeren. Het stond er zelfs boven waardoor die woorden op de vroege maandagochtend niet mis waren. In het coalitieakkoord is wat geschreven over een selectieve opkomstplicht. Dat die wordt overwogen of zoiets. Klinkt niet of het echt menens is.
Hoewel ik Nederland geen gaaf land vind, houd ik er wel van. De typering `gaaf land’ krijg ik niet uit mijn hoofd, waarschijnlijk omdat ik zo verbaasd was dat Mark Rutte er destijds mee kwam, zonder met de ogen te knipperen.
Soms is het lastig, maar vaak ook grappig: heel veel zie ik meteen ontzettend concreet voor me. Lekkende Kamerleden bijvoorbeeld. Zo worden genoemd, onze volksvertegenwoordigers die vertrouwelijk informatie niet voor zich kunnen houden en stiekem De Telegraaf bellen: lekkende Kamerleden. Emmertje erbij, dweiltje eronder, er hangt vast ook een geur omheen.
Graag maakte ik mee dat het anders was, maar dat gebeurt niet: voor de simpelste karweitjes in huis moet ik hulp vragen of een ontzéttend duidelijk en door en door hanteerbaar advies. Ga ik bijvoorbeeld naar mijn bevriende buurman. Of er komt een vakman die met één vinger één dingetje aanraakt en dan is er geen vuiltje meer aan de lucht. Ik wil best, heb ook gereedschap in huis, maar weet nooit hoe en op welk aandachtspunt ik met een reparatie moet beginnen.
Morgen horen we waar de coalitiepartners uit zijn gekomen en op wat, hoe het regeerakkoord eruitziet. En wat het motto is. Hoort erbij, maar van de motto’s uit het verleden herinner ik me er geen een, waarschijnlijk doordat woorden die uiteindelijk niets betekenen, enorm vergeetbaar zijn. Voor morgen gok ik op iets als Samen Voor Beter. Terug naar dinsdagavond toen om 10 uur verlossende woorden zouden komen. Prima moment, want Nieuwsuur begon. Om 10 uur gebeurde er niks. Beeld van dichte deur. Commentaar van Arjan Noorlander: `Deur is nog dicht.’
Benieuwd hoe zoiets gaat: min of meer dagelijks eet ik een boterham met pindakaas (met sambal en gefrituurde uitjes) en op een dag vind ik of proef ik dat er iets met die pindakaas aan de hand is, de smaak is anders. Maar hoe anders kan ik niet precies zeggen, maar ánders.