In bijna ieder praatprogramma schoof hij aan, in bijna iedere krant werd hij geïnterviewd, opinieonderzoeker Peter Kanne die een boek schreef dat de titel heeft Lang zal ik lekker leven. En daaronder: De genotzuchtige Nederlander: van ik-verslaving naar wij-gevoel.
Zaterdag besloot ik weer eens naar een wedstrijd te gaan van het team waarin mijn favoriete spits speelt. Ik heb het over voetbalvereniging SDZ, Samenspel Doet Zegevieren – zou ook een prima motto voor het nieuwe kabinet zijn geweest. Ik begreep dat de tegenstander een team van uitsluitend meisjes was, afkomstig uit een verre buitenste buitenwijk. Mijn favoriete spits betreurde dat, want, zo zei, dan mag hij niet al te hard spelen. Ik hield om een andere reden mijn hart vast. Stel dat de jongens zouden verliezen!
Zinnen waarin het woord `stukje’ voorkomt, vind ik altijd zielig. Niet: `Je hebt een stukje spinazie tussen je voortanden.’ Ook niet: `Wie wil er een stukje taart?’ Ook niet: `Zullen we een stukje lopen?’ Allemaal prima. In dit verband is er een strikt persoonlijke uitzondering: als een van mijn fitnesscoaches zegt: `We gaan even een stukje roeien, Thomas.’ We ben ik. Nergens heen fietsen op de sportclub vind ik niet erg, en dat doe ik vaak, op zo’n venijnige spinfiets, maar nergens heen roeien is ontmoedigende dynamiek.
Misschien is de tijd er nog niet rijp voor. Kan ook zijn dat het een gepasseerd station is. Ik heb het over een ministerie waarvan ik weleens droomde, een droom die ik me bleef herinneren: het Ministerie van Emotionele Zaken. De bewindspersoon die over dat ministerie gaat, moet na ieder essentieel debat, waarin het er meestal fel aan toegaat, een slotwoord spreken.
Het hád wat, in de rij staan voor een theater of concertzaal. We deelden de vrolijke, spannende, verbijsterende sensatie die we dadelijk gingen meemaken. Ik houd niet zo van het woord voorpret, maar zoiets was het wel. Maar we kunnen niet zo goed meer tegen voorpret, het moet metéén pret zijn, liefst de volle mep. Daarbij hebben we ook steeds minder tijd voor een rij en ook wat anders te doen dan daar staan. Het gebeurt natuurlijk nog, ik vind het nog steeds geen probleem, maar het is wel een zonderling tafereel.
Bijna overal waar ik moet zijn, ben ik te vroeg. Komt doordat ik niet te laat wil komen. Voor de zekerheid bovendien: dan bén ik er alvast, is dáár tenminste niets tussen gekomen. Nu in het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik vaker had. Ze willen daar graag dat je je meldt bij een laadpaal in de hal, niet aan een balie. Is een tendens die je op meer plaatsen tegenkomt: als het niet per se nodig is, liever geen intermenselijk contact.
Bijna overal waar ik moet zijn, ben ik te vroeg. Komt doordat ik niet te laat wil komen. Voor de zekerheid bovendien: dan bén ik er alvast, is dáár tenminste niets tussen gekomen. Nu in het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik vaker had. Ze willen daar graag dat je je meldt bij een laadpaal in de hal, niet aan een balie. Is een tendens die je op meer plaatsen tegenkomt: als het niet per se nodig is, liever geen intermenselijk contact.
In deze krant las ik gisteren in de column van Kitty Herwijer dat diensplicht goed is voor het psychisch welzijn van jongeren. Het stond er zelfs boven waardoor die woorden op de vroege maandagochtend niet mis waren. In het coalitieakkoord is wat geschreven over een selectieve opkomstplicht. Dat die wordt overwogen of zoiets. Klinkt niet of het echt menens is.
Hoewel ik Nederland geen gaaf land vind, houd ik er wel van. De typering `gaaf land’ krijg ik niet uit mijn hoofd, waarschijnlijk omdat ik zo verbaasd was dat Mark Rutte er destijds mee kwam, zonder met de ogen te knipperen.
Soms is het lastig, maar vaak ook grappig: heel veel zie ik meteen ontzettend concreet voor me. Lekkende Kamerleden bijvoorbeeld. Zo worden genoemd, onze volksvertegenwoordigers die vertrouwelijk informatie niet voor zich kunnen houden en stiekem De Telegraaf bellen: lekkende Kamerleden. Emmertje erbij, dweiltje eronder, er hangt vast ook een geur omheen.