Het was, meen ik de heer Paternotte, die woensdag tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen met het beeld kwam, het beeld van een kruispunt: ‘Je kijkt eerst naar links, dan naar rechts, weer naar links en dan pas steek je over.’ Helder. Over nagedacht. Misschien kon hij wel niet wachten. Ging over samenwerken. Ik hoorde het mooie woord nog nooit zo vaak als afgelopen dagen. De koning was ermee begonnen Was het de heer Eerdmans die zei dat het geen kruispunt was, maar een T-splitsing: ‘Je gaat of naar links of naar rechts. Rechtdoor beland je in de berm.’
Was de laatste campagne van SIRE (Stichting Ideële Reclame) een die ons namens de overheid aanspoorde wat vaker zomaar een praatje met iemand te beginnen, met bijvoorbeeld als opening: ‘Wat een leuk hondje heeft u’? Moet er natuurlijk wel een hondje zijn, anders wordt het een ander gesprek dan SIRE bedoelt en doemen al snel hulpverleners in witte jassen op. Gisteren zat ik in deze krant een stuk te lezen over webshops die ons voortdurend verleiden snél en méér te kopen. Uiteraard mét tips om valstrikken te voorkomen. Zonder tips kunnen we niet.
In het televisiejournaal van eergisteren werd aandacht besteed aan jongeren die na hun schooltijd een tussenjaar nemen, niet om op reis te gaan, maar om zich te oriënteren op een beroepsopleiding. Als ik het goed begreep, waren het allemaal beroepen in de technische sfeer, dus voor vakmensen zonder wie wij niet kunnen. De presentator van het journaal sprak de hamvraag intens uit: ‘Wat wil je later worden?’ Daar ging het om. Vijf woorden met een loodzware betekenis.
Eerste keer dat ik het woord gebruik: sjeu. Heb er ook een zinnetje voor: De sjeu is wel een beetje af van Prinsjesdag. Ik betreur dat, want ben een voorstander van dagen met sjeu. Wat de regering bekend gaat maken, is voor het merendeel oud nieuws. Min of meer alles van belang is gelekt. Of het onbegrijpelijk is dat zoiets niet valt tegen te houden, geen idee. In die kringen verkeren vast veel mensen die lekken opwindend vinden. Het is ook leuk: ‘Ik weet lekker iets wat jij niet weet.’
Wat bij mij maar niet overgaat, is de lichte of minder lichte paniek die er ontstaat als er iets in huis kapotgaat. Ik heb niet niet over vallend glaswerk, nee, elektriciteit, leidingen. Er komt dan een vakman die eerst een tijdje ernstig zijn hoofd schudt, soms, nee vaak, met de woorden: ‘Dat is niet zo best.’ Die typering van het probleem is niet aan me besteed, ik wil perspectief.
Op de dag waarop we een ingrijpende gebeurtenis herdenken, zeggen we vaak waar we waren toen we erover hoorden. In de eerste fase van mijn leven was dat de moord op president Kennedy. Ieder jaar weer op 22 november. Het was niet alleen de schok die grimmig door de wereld trok, maar ook het geloof in een nieuwe tijd dat onderuitgehaald werd. Vandaag de aanslag op New York, vijfentwintig jaar geleden, de aanslag op de hele wereld. De verbijsterende, ja, angstaanjagende beelden ‘Waar was je die dag? Op dat uur?’
Afgelopen weken moest ’s ochtends twee keer in een radioprogramma zijn. Beide keren stond ik op het station van Amsterdam op een trein te wachten die niet kwam. De NS heeft een vast zinnetje dat luidt: ‘Plan uw reis in de app.’
Op mijn mobiel zit een navigatiesysteem, als ik de voorziening zo mag noemen. Misschien is het woord er wat te groot voor. Google Maps, zo heet het. Ja, als ik aan iemand vraag hoe ik ergens moet komen, krijg ik: ‘Kijk je toch even op Google Maps.’ Mijn vraag wordt dan dus meteen gereduceerd tot niets.
Op mijn mobiel zit een navigatiesysteem, als ik de voorziening zo mag noemen. Misschien is het woord er wat te groot voor. Google Maps, zo heet het. Ja, als ik aan iemand vraag hoe ik ergens moet komen, krijg ik: ‘Kijk je toch even op Google Maps.’ Mijn vraag wordt dan dus meteen gereduceerd tot niets.