Toen ik donderdagnacht de televisie aanzette voor Nederland-Tunesië dacht natuurlijk terug aan andere sportgebeurtenissen die ik in de nacht meemaakte, de laatste jaren is het soms tennis, maar in de jaren zestig en vroege zeventig waren dat wedstrijden van bokser Muhammad Ali. Ik zat nog op school en midden in de nacht stond ik op om met mijn ouders naar hun vrienden te gaan, door de stille stad waar in steeds meer huizen de lichten aangingen.
Omdat het zulk lekker weer is, gingen vrienden van me fietsen in het grensgebied tussen Groningen en Drenthe. Ze stuurden me een ansichtkaart. Ik ben een groot voorstander van het sturen van ansichtkaarten, gewoon zomaar, met een kleine waarneming, een grote mag ook, maar een kleine geeft vaak meer stof tot nadenken.
Natuurlijk zat ik gisterochtend tegen achten met gespitste oren bij de radio. Openbaar vervoer staakte (`ging plat’ zoals het dan zo robuust heet) en altijd is er een gesprekje met reizigers die van niets weten en op het station verbaasd om zich heen kijken. Hun antwoorden op de vragen van de verslaggever zijn niet verbazingwekkend. Rustgevend is dat. Te vergelijken met de gesprekjes in de postsorteercentra tegen de kerstdagen: `Een gekkenhuis is het hier.’) Heerlijk.
Buitenspelen was volgens mij niet altijd één woord. Dat het nu wel zo is, zegt veel over het belang van deze vrolijke activiteit. Niet alleen vrolijk, ook nuttig. Buiten kan soms meer te beleven zijn dan binnen, er is in ieder geval meer te zien.
Op de werkvloer hier ben ik de enige werknemer. En ook werkgever. Loopt luchtig door elkaar heen, wat voor- en nadelen heeft. In een radioprogramma hoorde ik een gesprek over wat je naar je werk aan moet als het zo warm is. Meningen erover zijn verdeeld, zoals het vaak gaat met meningen wanneer een gedachtewisseling inspirerend moet zijn: bijna alles heeft veel kanten.
Soms had iets belangrijk kunnen zijn, terwijl het dat niet werd. Valt in veel gevallen ook niet meer terug te draaien. Zo was ik graag een muzikaal kind geweest. En niet zo’n beetje muzikaal ook, zeg maar een toptalent. Dat was er allerminst aan de hand. Ik blies een zwak partijtje mee op de fluit in de schooldrumband, maar dat was te pover voor woorden. Of ik toen de ambitie had er meer van te maken, weet ik niet. Nu is het een beetje achteraf gepraat.
Erg is het als je er ook nog over moet praten. Over het weer, bedoel ik, over de warme warmte. Vooral als je je moet verontschuldigen. Gisterochtend kom ik terug van de sportschool, lekker bezweet, om het zo maar eens te zeggen. ‘Je lijkt wel niet goed bij je hoofd!’ zegt een man die een piepklein hondje uitlaat. Het zijn woorden die om een reactie vragen, maar die moet ik zoeken. Volgens mij is het best verfrissend zo nu en dan niet goed bij je hoofd te zijn.
Tijd van intense bedrijvigheid is het, in de grote en kleine wereld, nare bedrijvigheid, maar gelukkig ook aangename, in ieder geval redelijk aangename. Sportieve bedrijvigheid bijvoorbeeld en belangstellende bedrijvigheid voor die sportieve bedrijvigheid, vroegzomerse bedrijvigheid, beetje onduidelijke politieke bedrijvigheid, je hebt je handen eraan vol.
Vaak betreur ik het dat ik niets van wiskunde begrijp. Dat begrip is me ook niet aan te leren. Er is hier sprake van een onoverbrugbare afstand, een diep, gapend gat. Tijdens de laatste jaren van mijn schooltijd werd het vak gegeven door een sympathieke leraar die mijn onvermogen begreep. Hij vond het ook niet erg. Met een fijne list loodste hij me tijdens het eindexamen door het gesprek met de gecommitteerde. Ging over meetkundige problemen, meen ik.
Wat ontzettend jammer dat Wim T. Schippers is overleden. Nederland kan niet meer rekenen op zijn hoogst amusante ontregeling die bovendien ook nog tot luchtig nadenken stemde. Jammer maar helaas, moet je dan natuurlijk zeggen, een uitdrukking die hij niet zelf bedacht, maar wel vaak gebruikte. We zijn inmiddels gewend geraakt het ook te zeggen. Net als gekte. Wel door hem bedacht.