Soms bevangt me de vurige behoefte een uitvinding doen waarvan de wereld opkijkt. Hoeft niet per se de grote wereld te zijn, de kleine is ook goed. In ieder geval een uitvinding waarop iedereen zat te wachten. Zonder dat te beseffen natuurlijk, anders was het al door iemand anders uitgevonden.
Met grote genegenheid herinner ik me een conducteur van de NS die ik een jaar of tien geleden op een perron van station Eindhoven tegenkwam. Ik reisde per trein van Maastricht naar Amsterdam en op Eindhoven ging alles mis, min of meer vergelijkbaar met wat er zondag aan de hand was. Overal op dat station zag je treinen waaraan goed te zien was dat ze voorlopig niet meer zouden rijden, een adembenemende afwezigheid van dynamiek. En op de perrons liepen honderden reizigers behoorlijk in de war heen en weer.
Fout bezig. Schiet net iets te laat door me heen. In een washok bij een tankstation sta ik mijn auto lekker in te zepen. Dus niet de auto in een wasstraat gezet waarin het werk door een meedogenloze machine wordt gedaan, nee, gewoon zelf. Zoals onze ouders deden, ver weg in de vorige eeuw, op zonnige zaterdagochtenden. Iedereen in de straat deed dat op een vrije dag. Schiep een band.
Terwijl ik erg van de woorden sneeuw en lente houd, combineerde ik die nog nooit, geloof ik, terwijl het zo voor de hand ligt: lentesneeuw, woord vol poëzie met een zachte glans van dunne stilte. Gisterochtend liet het licht het al zien, nog voordat ik de gordijnen geopend had: de wereld was wit, in ieder geval een beetje. En dat bleek even later ook maar een beetje te zijn. Poedersuiker over de straten en daken, maar toch: lentesneeuw, een woord dat ik graag hardop uitspreek.
Natuurlijk had ik kunnen weten dat er aan de Nijmeegse Radboud Universiteit een humoronderzoeker werkzaam is. Niets op tegen, integendeel, maar fascinerend dat er in Nijmegen zo’n beetje alles onderzocht wordt wat er maar onderzocht kan worden. Trots ben ik op mijn geboorteplaats.
In het ochtendprogramma op Radio 1 zei een verslaggever gisterochtend dat er in de Tweede Kamer op dat moment vast mensen `met klotsende oksels’ rondliepen. Was kwart voor acht, best vroeg, ik bedoel vroeg om in de Kamer te zijn. En dan ook nog met klotsende oksels. Wanneer ik iets lelijk vind gezegd, neem ik het meteen letterlijk. Klotsende oksels. Vind ik altijd beetje vies. Heb niets tegen transpiratie, maar klotsen, nee. Is waarschijnlijk vooral het woord. Klotsen dus.
In mijn woonplaats wordt de temperatuur in de zwembaden verlaagd. Om het gasverbruik te verminderen. Door de oorlog moet dat. Nou ja, moet, het is wenselijk. Of het landelijk beleid is, weet ik niet.
Op de fitnessclub zag ik in een hoek tussen zware ballen een ding staan dat me sterk deed denken aan een andere tijd, ver weg in de vorige eeuw: een klein wieltje met aan weerszijden een handvat. Veel mensen die ik kende, hadden het in huis. Ik ook eerlijk gezegd.
Je weet niet altijd waarvan je ineens wakker wordt. Ontregelende droom, besef dat je iets had moeten doen wat je niet gedaan hebt. Ik had het gisternacht, keek op de wekker, uur of twee, en werd gealarmeerd. Wat kon er aan de hand zijn? O ja, ik was in een vreemd niemandsland in de tijd terechtgekomen, er was een uur wég, zomertijd.
Vreemd, maar om me heen hebben meer mensen last van corona dan tijdens de officiële epidemie. Simpele verklaring: iedereen is wat roekelozer, maar zover ik het kan overzien zijn de mensen die ik ken en ziek zijn geworden, allemaal voorzichtig, in ieder geval even voorzichtig als toen. Ik doe ineens per ongeluk of het lang geleden is, maar dat is het niet. Wat me ook opvalt, is dat juist mensen die haast nooit `iets hebben’, nu geveld op de bank liggen en als ze er weer vanaf komen met vage klachten blijven rondlopen.