“Beter van niet,” zeg ik. Voor de supermarkt kom ik een kennis tegen die van knuffelen een manier van leven heeft gemaakt, bij begroeting, afscheid en ook vaak tussendoor, bij wijze van compliment of bevestiging. Het spijt me dat ik weer het woord `knuffelen’ gebruik, ik voel me er ongemakkelijk bij, maar ik kom er niet meer onderuit. Terwijl ik “Beter van niet” zeg, maak ik ook een afwerend gebaar, opdat de kennis goed begrijpt wat ik bedoel, want ze heeft de neiging overal doorheen te knuffelen.
Gistermorgen in een rustig café: ochtendkranten lezen, koffie, broodje, zachte muziek, hier en daar gesprekken op bescheiden toon, je waant je even niet in dagen die door lawaai, drukte en haast opgejaagd worden. Daarvoor kun je ook thuisblijven, maar ja, je wilt ook meedoen met de buitenwereld. Goed te merken dat er in die buitenwereld ook veel variëteit bestaat. In dat café weet ik: dadelijk op straat wordt alles weer anders.
Je hoeft niet overal iets over te zeggen. Soms zoek je naar woorden die vast wel ergens zijn, maar die je niet kunt vinden. En als je vindt dat je toch wat moet zeggen: “Ik heb er even geen woorden voor.” Is niet erg.
Als ik geld uitgeef, hoef ik dat in veel gevallen ook niet te doen. Ik heb het niet over levensmiddelen, hypotheek, gezondheidszorg, maar bezoek aan een restaurant is niet per se nodig, een boek ook niet, net zoals een kaartje voor een concert. Voor mij is het allemaal van gróót belang, maar als het niet kan, ben ik staat oplossingen voor dat ongemak te vinden, met grote tegenzin en onder luid protest.
Je kunt het alleen maar in de winter zijn, maar het lijkt me fantastisch te weten dat je het bent: ijsmeester. Er zijn er te weinig, lees ik. De oproep je aan te melden voor een cursus is dringend: de eerste honderd aanmelders hoeven er niets voor te betalen. Stond er nooit bij stil dat overal waar geschaatst kan worden, een ijsmeester nodig is en dat het een machtige positie is: een ijsmeester beslist of het ijs geschikt is en hoeveel mensen er op mogen en hoe lang.
Wachtkamers van zorginstellingen vind ik moeilijke plekken. Het is de gespannen onrust die er heerst. Die is begrijpelijk, niemand zit daar van harte. En dan natuurlijk de stilte die er soms voor zorgt dat je niet meer weet waar je jezelf moet zoeken. Die stilte is wat mij betreft wenselijk, want een wachtkamer wordt helemaal moeilijk als iemand hard tegen je aan begint te praten, zeker wanneer het gaat om de redenen van het bezoek aan de zorginstelling (“Ineens had ik allemaal zweren! Je wilt niet weten waar! Allemaal zweren!”)
Sommigen van ons kennen het, een vriend die vraagt: “Zeg, heb je morgen een minuutje?” Je knikt achteloos, je hebt morgen vast wel ergens een minuutje, misschien weet je niet waar, maar nee, geen probleem. De vriend zegt: “Fijn. Ja, je weet dat mijn huis verbouwd wordt en ik een jaartje naar een tussenwoning ga. Kun je me even helpen? Heb een busje gehuurd en rijd dan gewoon een paar keer op en neer.”
In een drukke winkelstraat houdt een vrouw me staande. Leeftijdloos uiterlijk, Oost-Europees, denk ik, en ze wappert met een creditcard van een type dat ik nog nooit gezien heb. Ze zegt, in hakkelig Engels, dat ze geld nodig heeft, ergens pinnen wil en of ik haar daarbij kan helpen. Ik heb haast, zeg dat ook en loop door.
Om de zoveel tijd besluit ik niet meer te schrijven over mijn avonturen als treinreiziger en dat doe ik nu ook, althans voor dit jaar, maar toch nog even, want ik vind het prettig er de week mee te beginnen, het ruimt op. Vorige week ben ik op weg naar Tilburg. Op het station Uitrecht staat de trein lang stil. Wij reizigers weten dan: onraad.