Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Dof

Verharde sfeer op scholen, lees ik. Vanwege de mondkapjes. “Moet ik dood?” vraagt een leraar aan een leerling die geen mondkapje draagt. Die vraag moet je niet stellen. Als ik aan mijn schooljaren denk, herinner ik me minstens één leraar van wie ik vond dat hij best dood mocht, maar ja, dat zeg je niet. Hij vroeg trouwens niet of ik dat vond. Er zijn scholieren die het mondkapje fysiek zo weerzinwekkend vinden dat ze niet meer naar school willen. Ik heb bewondering voor mensen die zulke kwesties moeten oplossen.
Ik kan het benauwd krijgen achter zo’n kapje, maar wie niet? Soms gedragen mijn luchtwegen zich nukkig en dan wil ik op volle kracht ademen. Als ik het mondkapje laat zakken, in de trein, gebeurt het dat ik op mijn donder krijg van een medemens. Word ik fel van, terwijl ik toch begrip heb voor bijna alles.
Als ik haast heb, vergeet ik het weleens mee te nemen naar een plek waar het verplicht is. Heb ik meestal pas laat in de gaten, maar dan ga ik er thuis niet een halen. Nee, maar ik verontschuldig me wel. Ik wijs naar mijn gezicht, haal bedeesd mijn schouders op en zeg dat ik er per ongeluk niet aan gedacht heb.
Gisteren deed ik dat in een rij in de supermarkt. Ik had contact met iemand die naar me keek. De vrouw voor me draaide zich om en zei: “Mooie boel.” Ik verstond haar eerst niet goed, want door dat mondkapje klinken woorden dof. Ik keek haar vragend aan en ze herhaalde: “Mooie boel.” Ze had woedende ogen, net wat te woedend. Ik zei nogmaals dat het me speet. Ze beet me iets toe wat ik weer niet verstond, behalve lul.
Toen ze klaar was bij de kassa, viel een fles rode wijn uit haar tas op de vloer aan scherven. Héél kinderachtig dat ik dan prima vind.