Jano van Gool

In de Pers

Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer
Prettig verzinken in de herinneringen van Thomas Verbogt - Je zou bijna elk boek van Thomas Verbogt (1952) kunnen o... - Bo van Houwelingen in: De Volkskrant lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Jennen

Van veel van mezelf denk ik dat het verbetering behoeft, maar waar ik dik te tevreden over ben is dat ik haast nooit verontwaardiging voel. Is geen vorm van ongevoeligheid, maar ik moet sneller lachen dan dat ik verontwaardigd ben. 
In dit land – altijd uitkijken met `in dit land’ – is verontwaardiging aan de orde van de dag. Er is natuurlijk dat asgrauwe leger van anonieme lafaards dat onmiddellijk bagger gaat tweeten, wanneer je in een radio- of televisieprogramma iets zegt waarmee je het eens of oneens kunt. Helaas zijn ze niet te negeren, maar met hun verontwaardiging moet niemand iets te maken willen hebben. 
Maar er is ook andere verontwaardiging, waarin een gedachte zit die je oprecht mag noemen. Vorige week over Van der Staaij, ik schreef er al over. Erg en belachelijk, maar ook onbeduidend. Kleine zielen zijn geen verontwaardiging waard. Lachen moest ik wel, om het gedraai van kleine Kees. 
Vrijdagavond onze premier die zei dat hij de klieren die laatst hulpverleners met vuurwerk bekogelden en het werken onmogelijk maakten, het liefst in elkaar zou slaan. Verontwaardiging: een premier zegt zoiets niet. Ik lachte niet.
De heer Rutte is niet maar ook weer wel mijn premier. Ik vind hem geen kleine ziel en ik ben het met hem eens. Iedereen in mijn omgeving, allemaal weldenkende mensen. Gaat niet om het slaan maar dat je het graag zou doen.
En ook alsjeblieft adembenemende boetes.
De laatste keer dat ik iemand sloeg was in de vroege herfst van 1966, een nare medescholier die me maar bleef jennen. Ik knalde een vuist in zijn gezicht. Daarna rolden we over de grond. De gymnastiekleraar haalde ons uit elkaar. Die vuistslag luchtte me enorm op. Toch de laatste in mijn leven.