In de hal van het ziekenhuis zit ik te wachten. Hoef er niet voor mezelf te zijn, ik ga op bezoek, maar dat is ook een beetje voor mezelf. Bij de ingang moet je eerst zeggen dat je niets voelt wat op corona kan wijzen, dan krijg je een groene kaart en vervolgens moet je je als bezoeker inschrijven bij iemand achter een balie. Daarna telefoneren naar een instantie binnen het ziekenhuis om te zeggen dat je je als bezoeker gemeld hebt.
Meestal gebeurt er wel wat als je niet alléén bij de papier- en flessenbak staat. Vaak een doodlopend gesprekje dat ongeveer zo begint: “Ja, ruimt lekker op” of zoiets. Van een afstandje bepaal je wat je gaat doen: introvert en contactgestoord het karweitje klaren of enige warme openheid manifesteren. Gisteren stond een oudere dame zich secuur van kranten te ontdoen. Soms keek ze er nog even naar, alsof ze wilde controleren of ze die gelezen had. Het schemerde zacht. Hoewel het nog steeds januari is, lijkt het soms alsof er iets meer licht in de lucht zit.
Erg gevoelig ben ik altijd voor hoe een dag begint. De vraag waar de tandpasta nú weer is, kan alarmerend zijn. Op maandag komt de vuilniswagen, vrij vroeg, maar het is nooit te zeggen hoe vroeg. Een buurtbewoner belde de gemeente en meldde via de straatapp dat we de boel tussen half acht en acht uur buiten moeten zetten, niet voor de deur, wat de straat is autovrij, op een van de twee hoeken. Niemand gelooft dat, want de wagen is er nooit voor negenen, maar toch. Ik houd er niet van wakker te schieten van de gedachte aan de vuilniszak.
Dromen doe ik snel. Als ik bijvoorbeeld in de trein in slaap val. En ik maak me er moeilijk uit los als de conducteur Veenendaal-De Klomp omroept. Ik ben dan nog in een ander landschap of stad, vaak veel eerder in mijn leven. In mijn lange slaap, meestal in de nacht, tuimelen de dromen over elkaar heen. Vol wonderlijke gebeurtenissen word ik wakker. Ook onheilspellende waarover ik tijdens het tandenpoetsen diep kan nadenken.
De gele meelworm is geen gezellig toponderwerp, maar binnenkort mag die gewoon op tafel. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid heeft dat zo bepaald. Ik weet niet of de gele meelworm kan denken of iets wat daarop lijkt, maar het diertje zal er dan van opgekeken hebben: paar duizend jaar keek de westerse beschaving er behoorlijk op neer en nu zegt een deftige autoriteit als de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid dat die houding onzin was. Er zijn zelfs experts die met hart en ziel beweren: “Het is gewoon een uitstekend product.”
Beetje onduidelijk is het wel: mag de conducteur zijn fluitje nu houden of niet? De NS zegt dat het maar op één traject weggaat, Amsterdam-Schiphol, de Airportsprinter waar vaak iets mee is, waardoor je verzenuwd op de luchthaven arriveert.
Liefst heb ik het er even niet over, net zoals ik niet over regen wil praten als het regent, zeker niet klagend. Maar goed, het kan niet anders en ik moet zeggen dat de avondklok psychologisch uitstekend is neergezet. De premier noemde die dinsdagavond met de grootst mogelijke maar net niet te weinig terughoudendheid. Eerst verstandig advies afwachten natuurlijk, maar ondertussen kunnen we er alvast aan wennen. Misschien komt die er niet, maar dat is hoogst onwaarschijnlijk. Daarom is het een permanent brandend gespreksonderwerp.
In een radioprogramma hoorde ik een man met een serieuze stem zeggen dat alle dagen op elkaar lijken en: “Er zijn geen leuke dingen.” Was nog vroeg in de ochtend en dan ben ik er nog helemaal niet aan toe te denken aan dingen die leuke dingen worden genoemd, Nooit, geloof ik. Als iemand voorstelt leuke dingen te gaan doen, heb ik meteen iets anders aan mijn hoofd dat dringend om aandacht vraagt. Ik prijs me gelukkig dat er in mijn nabije omgeving niemand is die het over leuke dingen heeft.
Nog voordat zondag het crisisoverleg op het Catshuis is afgelopen, weten we allemaal wat er min of meer besproken is en besloten. Zo gaat het altijd. Moet dus een functie hebben. Een psychologische.
Voor de deur van de supermarkt laat ik me niet meer corrigeren. Paar weken geleden ging ik nog gedachteloos naar binnen. Een medewerkster riep fel of ik voor de ingang wilde wachten: “Dan kunnen andere mensen naar buiten! Ja?” Vooral dat Ja? kwam aan als een oorvijg. Voor straf wilde ik buiten best langer wachten dan strikt noodzakelijk, maar dat was ook weer niet de bedoeling. De medewerkster wees naar een mandje.