In het spelen van verbazing ben ik nooit goed geweest. Het ziet er niet natúúrlijk uit, het is te zien wat ik aan het doen ben. Mijn gezicht zoekt krampachtig een verbaasde uitdrukking, met zelfs een vleugje verontwaardiging erin. Terwijl verbazing je gewoon moet overkomen, je weet niet wat je meemaakt. Het komt natuurlijk ook doordat ik nooit in de gelegenheid ben geweest mezelf te bestuderen in verbaasde staat, terwijl ik toch een groot deel van de dag verbaasd ben. Maar waar ik nu op doel is de verbazing over mezelf, over iets dat er met mij aan de hand is.
Nederland gaat met vakantie. Ineens is er dat zomermoment. Een gedeelte van Nederland is al weg, maar nu gaat ook de rest, en dan is er geen weg meer terug: Nederland gaat met vakantie. Er zijn dan ook altijd berichten over `de uittocht van de vakantiegangers’. Daar is meestal iets mee.
Als je mensen ziet juichen om een prestatie die je bewondert, juich je zelf ook mee, uitbundig of ingetogen. Als je mensen ziet juichen om iets wat je afwijst, vind je dat gejuich verschrikkelijk, maar daarover gaat het vandaag niet. Het is het bevrijdende juichen, dat stralende samengaan van trots en opluchting.
Als je mensen ziet juichen om een prestatie die je bewondert, juich je zelf ook mee, uitbundig of ingetogen. Als je mensen ziet juichen om iets wat je afwijst, vind je dat gejuich verschrikkelijk, maar daarover gaat het vandaag niet. Het is het bevrijdende juichen, dat stralende samengaan van trots en opluchting.
In Elsevier lees ik een interview met Klaas Dijkhoff, de fractieleider van de VVD. Hij zegt daarin onder meer dat zijn partij zich niet meer richt op de `hardwerkende Nederlander’ maar op `goed volk’. Hij licht het toe: “Ik beoordeel mensen op hoe ze zich gedragen en of ze hun best doen.” Hij heeft het bijvoorbeeld over `netjes’ je werk doen en je kinderen `keurig’ opvoeden. We moeten er zelf invulling aangeven. Ik heb het gevoel dat deze benadering nog om verfijning vraagt, maar blijf hangen bij je best doen.
Het nadeel van warme dagen die misschien te warm zijn, is dat er veel over gepraat wordt. Weet niet meer wat ik moet zeggen als iemand verzucht: “Warm hè.” Ja, je kunt zeggen dat het alleen maar een verzuchting is die verder niets voorstelt, en ook geen gedachtewisseling hoeft los te maken, maar toch. Komt ook door mijn weerstand tegen iets duidelijk maken wat al duidelijk is. Als je ergens drijfnat binnenkomt, vind ik de vraag of het regent altijd jammer.
Soms verzeil ik in een aangelegenheid waarvoor subsidie moet komen. Altijd iets in de kunstsfeer. Maar als het woord `subsidie’ valt, deins ik terug. Goed dat het bestaat, maar ik wil me er niet mee bemoeien, dus alsjeblieft niet aanvragen, niet omdat ik die niet wil, maar ik heb een sterke angst voor formulieren, want ben al na een paar zinnen de weg kwijt. En dat geldt zeker voor formulieren waarmee je subsidie aan moet vragen.
Er zijn woorden die ik licht angstaanjagend vind, niet door hoe ze klinken, maar uiteraard door hun betekenis en wat die betekenis oproept. Vraag me niet meteen met een paar sprekende voorbeelden te komen, want ik heb die woorden naar ver weg gejaagd. Soms komen ze van daaruit terug. Gisteren: lustobject. Het zal vast fel opgedoken zijn in de MeToo-berichten, maar toen las ik er, denk ik, overheen, waarschijnlijk door overconcentratie op de totale strekking van die informatie.
Wat is dat toch? Telkens als ik een bericht over het rijexamen lees of hoor, moet ik sterk op mij ademhaling letten. Ja, natuurlijk weet ik hoe dat komt, maar ik wil me er graag voor afsluiten, wat helaas niet lukt.