Dat het vorig jaar een paar keer erg warm was, kan ik me niet meer herinneren. Gisterochtend hoorde ik op de radio een man met zeer Brabantse tongval klagen dat hij vorig jaar met een natte handdoek om zijn nek gordijnrails stond te bevestigen. Ik spitste mijn oren: waar ging dit over? Hierover: er zijn mensen die enorm opzien tegen de tropische temperaturen van komend weekend. De man met de natte handdoek woont in een appartementencomplex dat slecht te ventileren valt. We leven in een land vol problemen, ze tuimelen kwetterend over elkaar heen
Wanneer ik lees dat iedereen slachtoffer wordt van een datalek, schrik ik, zonder dat ik weet waarvan precies en ook niet wat ik met die schrik moet. Gisterochtend werd het ook in het nieuws op de radio gezegd: data die op straat komen. Zoiets. Ja, op straat, dat hoorde ik goed. Het is een waarschuwing van de Autoriteit Persoonsgegevens.
De voorpagina van deze krant, gisteren, veroorzaakte bij mij enige spanning. Zo moet ik het zeggen: enige spanning. Bijna de helft van alle Nederlanders is bang voor een ramp. En dat ze dan zonder stroom, water en gas komen te zitten. Er is een enquête geweest.
Zangeres Beatrice van der Poel en ik zijn bezig met de laatste voorstellingen van ons programma Montere Weemoed. Vrijdag moesten we diep in Brabant zijn, in Zundert, geboorteplaats van Vincent van Gogh. Toen ik mijn spullen bij elkaar zocht, belde een vriend. Ik zei dat ik naar Zundert ging. `O, van die slager,’ zei hij. Slager? Welke slager? Was me iets ontgaan?
Iedereen zal het kennen, je bent ergens geweest en op weg naar huis zeg je tegen elkaar: `We hadden eigenlijk niet moeten gaan.’’ Dat je het zegt, betekent ook dat je je er druk over maakt, een beetje druk misschien, maar toch druk. Ik ben helemaal niet tegen zinloze gebeurtenissen, soms kunnen die verfrissend zijn, maar ik houd niet van zinloze drukte, ook al is het maar een beetje drukte.
De presentatrice van het ochtendprogramma op de radio hoorde ik gisteren zeggen: `De zomer komt er aan en dat betekent…’ Wat we niet altijd beseffen, is dat iedere fractie van een seconde honderden gedachten over elkaar heen tuimelen. Of gedachten, nee, het zijn nog geen gedachten, vage beginnetjes van gedachten. Ik bedoel: er gebeurt iedere fractie van een seconde van alles in onze hersenen.
Fascinerend incident bij de kassa in de Jumbo. De mevrouw die daarachter zit, is een uitdaging. Als ik haar ben gepasseerd, weet ik zeker dat de rest van de dag een fluitje van een cent is. Ze heeft haar waaraan ze geen aandacht hoeft te besteden, en in mond die altijd in de woedestand staat, lichtjaren verwijderd van een flauwe glimlach. Boven haar linker pols zit een tatoeage: een bloempotje met een slappe bloem die niet op een echte bloem lijkt. Deze afbeelding is alleen in de volle zomer te zien, nu nog niet, maar je weet dat die er is.
Over mijn woonomgeving heb ik niets te klagen, aan een gracht, schuin tegenover een brug. En op die brug fotograferen mensen elkaar en zichzelf graag. Ze kijken er tevreden bij. Ook veel bruidsparen, in de meeste gevallen mannen en vrouwen die met elkaar trouwen. Een brug is dan natuurlijk een symbolische constructie. Dat zal de gedachte zijn die erachter zit, brug naar elkaar, brug naar een lang en gelukkig leven.
Wanneer ik een foto van een topman tegenkom, en dat is vaak het geval want er zijn veel topmannen, denk ik altijd: nou, het is niet aan hem te zien dat hij blij is topman te zijn. Nét te ernstig, vaag verongelijkt, vreemd geconcentreerd, veel belangrijk geld in gedachten, privé en zakelijk. Mijn vrienden- en kennissenkring is een kakelbont gezelschap, maar er zit geen topman bij, althans niet een topman zoals in de media bedoeld wordt. Ik denk ook niet dat een topman aandacht voor ons kan opbrengen en onze manier ons te ontspannen vindt hij tijdverlies.
Op de markt sta ik voor populaire kramen altijd in de verkeerde rij. Rij die niet opschiet. Heb ik zelf niet meteen in de gaten, maar het wordt tegen me gezegd, bijvoorbeeld door een vrolijke buurtgenoot: `Thomas, je staat weer in de verkeerde rij.’ Voor de kaaskraam bijvoorbeeld. Druk bezocht. Vier rijen. Voor me een jonge man met parmantig petje op en een jonge vrouw die kind op arm heeft, anderhalf jaar, schat ik. Ze zijn lang bezig met een van de kaasverkopers, met dwingende vragen naar van alles. De antwoorden bespreken ze samen. Kind huilt nog net niet.