`Ja, goedemorgen zonder zorgen!’ roept de glazenwasser als ik hem goedemorgen heb gewenst. Het is nog vroeg op de dag, hij staat in de tintelende ochtendzon zijn werk te doen. Op een ladder mag niet van de overheid, hij heeft een lange stok met aan de bovenkant een wasborstel. Het water spat vrolijk alle kanten op. Het is net alsof de kleine wereld waarin we elkaar goedemorgen hebben gewenst, ook schoner wordt.
Goed en ook pijnlijk haar naam weer eens tegen te komen, mevrouw Khadija Arib, oud-Tweede Kamervoorzitter. Beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag verdween ze van het toneel. Haar eigen keuze, ze was te gekwetst om nog te kunnen functioneren. Er waren anonieme klachten gekomen, bij wie ook weer? Er werd een onderzoek ingesteld, wie waren de onderzoekers ook alweer? En toen? Niets.
`Even horen hoe het met je gaat.’ Soms valt alles samen. Nou ja, alles? Véél: ik zit een artikel over telefoonangst te lezen, dat je zelfs een cursus kunt volgen als je over die angst heen wilt komen, en dan gaat de telefoon: `Even horen hoe het met je gaat.’ Ik probeer zo min mogelijk te telefoneren, maar geloof niet dat ik telefoonangst heb. Het is iets anders, weerzin, irritatie, soms vreemde woede, ik heb er geen woord voor.
Net als vorig jaar word ik in deze eindexamentijd niet meer lastiggevallen door angstdromen die zich min of meer levenslang hebben voorgedaan. Dromen waarin ik tijdens het examen niets maar dan ook niets meer wist, niet eens hoe ik heette of wat ik daar deed. Of de functionaris van het Ministerie van Onderwijs die midden in de nacht aanbelt en te kennen geeft dat na al die jaren duidelijk is geworden dat ik destijds gefraudeerd heb en nu alles moet overdoen: `Nu meteen. We laten ons niet weer in de maling nemen, meneertje. Nee, we hoeven ons niet aan te kleden.
Afgelopen dagen hoorde ik in radiospotjes de vraag: `Wat deed jij tijdens de Koude Oorlog?’ Mij was nieuwe belangstelling ervoor ontgaan, maar misschien heb ik niet goed opgelet, wat ik aan het begin van de Koude Oorlog ook niet deed. Als kind in de jaren van de wederopbouw had ik mijn handen vol aan opgroeien.
Eerder deze keek ik het voor de zekerheid een paar keer na, maar morgen is het toch echt Moederdag. Normaal word je door advertenties gewaarschuwd dat het weer zover is. Je leest wat er te koop is `voor de allerliefste moeder’. Dat stoorde me altijd fel, dat getut over de allerliefste moeder. Veel moeders zijn de allerliefste moeder, maar de typering verschraalt als die commercieel uitgebuit wordt.
Al vaak probeerde ik het te begrijpen, maar het lukt niet. Paar dagen geleden scheurde ik een foto uit een krant. Daarop zijn wetenschappers in witte jassen te zien. Ze hebben stokjes vast waarop stukjes vlees geprikt zitten. Een ruikt er secuur aan, de andere praat erover tegen weer een ander die er geheimzinnig naar wijst, naar zo’n stukje vlees dus.
Als je niet graag over het weer praat, heb je het best moeilijk. Bijna iedereen wil dat. Ik probeer dat te begrijpen en dat doe ik natuurlijk ook, maar met dat begrip kan ik niets. Er is wel onderscheid tussen goed en slecht weer, als gespreksonderwerp, bedoel ik.
Op de hoek van de straat staat een bestelbus met zo veel reclameteksten erop dat ik er even naar toe moet om die in alle rust te lezen. Is een afwijking, misschien een ziekelijke: ik wil alles tot me nemen wat zich binnen mijn gezichtsveld voordoet. Soms lukt het niet, ben ik blij om, maar meestal kom ik er niet onderuit.
De Engelse keuken is tragisch, zo tragisch dat die ook een zekere mate van ontroering veroorzaakt. Als ik er ben, ga ik me niet aanstellen en doe gewoon mee en eet tussen de middag uit een krant melige, in oud vet gebakken frites met iets daarbij waarvan het best kan dat het ooit ergens gezwommen heeft. En in de vroege avond lauwe shepherd’s pie met grimmig doorgekookt gehakt erin. Daarom zijn de bierglazen daar ook zo groot.