Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Consumenten

Ah, daar is de vage kennis die niet voor niets een vage kennis is. Je hebt haast, niet echt, maar toch genoeg om het haast te noemen, en dan loop je bijna tegen de vage kennis aan. Die vraagt onmiddellijk hoe het met je gaat, maar wacht je antwoord niet af en begint over zichzelf te praten, en niet zo’n beetje ook. Het is een egomaan betoog dat je nauwelijks kunt onderbreken, maar dat doe je toch, na een minuut of tien: “Sorry, ik moet nu echt gaan. Dadelijk staat er bezoek voor de deur.” 
Ik moet me beheersen niet naar huis te rénnen, maar dat doe ik min of meer toch. Daar gooi ik de deur op slot om vervolgens een kwartiertje naar snoeiharde muziek te luisteren, van Motörhead bijvoorbeeld. Hoe vreemd ook, maar daar word ik weer rustig van. Moet ook wel, want van mensen die uitsluitend over zichzelf spreken, raak ik behoorlijk van streek.
Zaterdagmiddag staat er een rij voor de supermarkt, zeker tien consumenten voor me. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Een vage kennis die de vraag hoe met me gaat overslaat om uitvoerig uiteen te zetten waarom hij geen corona krijgt: “Daarvoor heb ik al te veel meegemaakt.” Hij somt intens op wat dat allemaal is. 
Met één oog houd ik de ontwikkeling van de rij in de gaten: dadelijk mag ik naar binnen en dat is waarschijnlijk midden in een zin van de vage kennis, maar ja, kan niet anders. Ik snak naar die opluchting, maar zet net een stap te vroeg naar het supermarktmeisje van wie je een winkelmandje krijgt. Ze is geïrriteerd, haar vinger wijst naar de stoep: “U mag nog even wachten! Dan kunnen andere mensen naar buiten!” 
Daar vraagt de vage kennis waarom ik een mondkapje draag. Hij niet (had ik gezien). Hij legt uit waarom niet.