Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Ervaring

Bijna altijd druk ik mijn telefoontje meteen uit als een gesprek begint met: “Heb ik het genoegen te spreken met de heer…” Dan korte stilte. “Met de heer T. Verbogt?” 
Ik weet genoeg, héb al gezegd: “Met Thomas Verbogt.” En dan toch die vraag. Ik moet zeggen: “Nee u spreekt met Vladimir Stepanovitsj.” Maar dat zeg ik niet. 
Week of zes geleden bleef ik luisteren, ik was in gedachten en niet alert. De vrouw zei namens Het Gehandicapte Kind te bellen en of het gelegen kwam. Was niet zo. Mocht ze terugbellen? Ik ben donateur en dacht: waarom niet? Het nummer sloeg ik op. Als er dan gebeld werd en ik op mijn schermpje Het Gehandicapte Kind zag staan, kon ik beslissen of ik het gesprek aanging. 
De afgelopen weken ben ik een keer of veertig gebeld door Het Gehandicapte Kind. Doorzettertjes zijn het en mij kwam het nooit uit.
Gisteren nam ik het gesprek aan. Het was te warm om er lang over na te denken. Ik hoorde een naam die ik vergeten ben, en ze zei erbij: “Van Het Gehandicapte Kind.” Had ik al gezien.
Of ze even met me mocht praten? Om te vertellen wat er allemaal gebeurt met het geld van mensen “die ons steunen, zoals u, waarvoor hartelijke dank”. Ik zei dat het prima was. 
Vervolgens las ze van alles voor van een papiertje en dat deed ze zo snel dat ik haast niets verstond. Af en toe zei ik: “Fijn.” 
En ineens vroeg ze of ik ervaring had met gehandicapte kinderen. Had ik niet. “Ook niet vroeger?” Ja, vroeger wel. Toen vroeg ze: “Wat dacht u toen?” Ik vond dat ze moest ophouden. Dat mág ik natuurlijk niet vinden, maar ik kan het niet voor me houden, terwijl ik dat tóch doe. Ze moet zeggen dat ze meer geld wil. 
Wij, weldoeners, zijn beleefd. Maandbedrag verhoogd.