Jano van Gool

In de Pers

Hoe alles moest beginnen - Twee kinderen, Thomas en Licia, gaan met elkaar het verzonnen leven aan, want het echte leven vertrouwen ze niet.... - Thomas Verbogt in: Uitg. Nieuw Amsterdam lees meer
Wat is precies de bedoeling? - Van tijd tot tijd vraagt iemand wie de opvolger is van Carmiggelt. De vraag is even onzinnig als begrijpelijk.... -  in: Boekensalon lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Fijn

“Zullen we even naar het afrekenpunt gaan?” Een medewerkster van de supermarkt vraagt dat. De winkel is vorige week verbouwd. Er zijn minder kassa’s met echte mensen erachter, maar wel vier nieuwe kassa’s met een scanner. Daar kun je het zelf regelen. Zeg maar: contactloos. 
Ik ga automatisch naar een kassa met een caissière, maar de medewerkster betrapt me op mijn gemakzucht, ja, op mijn behoefte aan de vraag of ik de bon wil en zegels.
Met de medewerkster die vandaag instructrice is, loop ik naar het afrekenpunt (op een `plein’ – zo heet het daar) en ik zeg dat ik `een zeer onhandige man’ ben. Beken ik niet omdat ik dat vertederend vind, nee, het is pure faalangst. Achter me word een deftige mevrouw ook naar een afrekenpunt geleid en die zegt: “Ben blij dat u dat zegt.” Ik zeg: “Fijn.” Zeg ik te vaak, nu is het uit solidariteit.
Ik sta met mijn boodschappenmand bij het afrekenpunt. De medewerkster wijst naar het scanapparaat: “Probeert u maar.” Mijn eerste product is een plantaardig alternatief voor yoghurt. Het scanapparaat laat een piepje horen. “Goed zo,” zegt de medewerkster van de supermarkt. Dankbaar kreunend incasseer ik het compliment. Ze wijst naar een pak koffie: “En nu dit.” Na weer een compliment laat ze me mijn gang gaan. Het voelt als een examen. Als ik mijn pastic tas vol heb, zegt ze:
“De crackers zijn niet gescand. U was te vlug.” Ik zeg dat ik het niet expres deed. Ze knikt minzaam: “Nu mag u afrekenen.” Als ik de kassabon in mijn broekzak wil proppen, krijg ik nog net geen tik op mijn vingers. ”Die scant u bij de uitgang, anders kunt er niet uit.” Ik zeg: “Fijn.” 
Eenmaal in het herfstlicht besef ik weer dat we veel doen om opgelucht te mogen zijn.