Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Jochie

Ergens iets van zeggen, iemand aanspreken op onwenselijk gedrag, hoe vaak doe ik het? Ook belangrijk: wat doe ik als het mij overkomt? Dat laatste probeer ik trouwens te voorkomen. Als je deel uitmaakt van een samenleving, moet je daarvoor ook aandacht hebben, voor grote en kleine dingen. Grote dingen houdt de overheid in de gaten, kleine dingen zijn vooral je eigen zaak.
Een onderzoek van het CBS wijst uit dat mensen op het platteland elkaar eerder tot de orde roepen dan in de stad. Ik woon in een stad, maar ben een aanzienlijk deel van het jaar ook in een dorp. In een dorp ben je je bewuster van alles om je heen, ook de belangstelling voor je gedrag, en de kritiek daarop. Open deur. De stad maakt nonchalanter. Nog een.
De neiging iemand vermanend op iets te wijzen, heb ik wanneer ik woede voel. Iemand gooit rotzooi op straat, iemand loopt hard tegen je aan door concentratie op mobieltje, ik kan er niet tegen, ook niet tegen onnodig lawaai. Vanwege mijn felheid houd ik mijn mond, anders komt er vast meer ellende. Ik weet wat ik dan moet doen: humor mobiliseren, mijn opmerking grappig maken. Dat is een instelling. Aan iedere instelling is te werken.
Het onderzoek van het CBS vertelt dat ouderen bedeesder zijn dan jongeren, vrouwen meer dan mannen. Weet nog steeds niet wanneer je oudere bent, maar toen ik laatst zonder licht door de straat fietste, riep een tamelijk oude vrouw, bijna zingend: “Ach jochie, doe toch een lichie aan!” Volgende dag ging ik naar de fietsenmaker. Dat `jochie’ beviel me zeer.
Ik houd me te vaak bezig met de vraag: waar bemoei je je mee? En met `je’ bedoel ik ons allemaal. Over het antwoord op die vraag denken we nauwelijks na. Moeten we wel doen.