Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Moeilijk

Weer was ik met de klusjesman, ex-bokser uit Minsk, in een kolossale bouwmarkt. Hij ging op zoek naar materiaal voor de eeuwigheid en ik liep geroutineerd naar de koffiehoek, langs het Hygiëne Station, wat ik nog steeds een sterke benaming vind. Ik probeerde een beetje in gedachten verzonken te raken, want ik heb verder niets te zoeken in de bouwmarkt. Weet ook niet of ik dat graag wil. 
De man uit Minsk spreekt meestal begrijpelijk Nederlands, maar wel in een soort telegramstijl: “Ik denken auto groot genoeg voor planken. Anders wij probleem.” 
Toen we naar de bouwmarkt reden, merkte ik dat ik zelf ook zo begon te praten. We passeerden de fitnessclub waar ik een paar keer per week naar toe ga: “Ik daar sporten. Goed voor lichaam.” Omdat ik niet zeker wist of hij begreep wat ik bedoelde, sloeg ik op mijn bovenbenen en herhaalde: “Goed voor lichaam.” Hij knikte melancholiek, ik weet niet altijd of hij me verstaat.
Met wat ik hier nu noteer, wil ik hem niet discrimineren of kwetsen, hij praat nu eenmaal zo. In de Donald Duck, hier nog steeds wekelijks popelend op de deurmat, staat soms een avontuur van Hiawatha, een jonge Rondbuikindiaan. Of Rondbuikindianen echt bestaan, geen idee, in ieder geval in de Donald Duck. Vroeger sprak Hiawatha min of meer zoals de klusjesman: “Mij zin in eten.” Maar daar kwam verandering in, omdat het kwetsend voor een bevolkingsgroep was. 
Als kind heb ik even gedacht dat hoe Hiawatha praatte volkomen normaal was en dat wij belachelijk moeilijk deden met onze taal, veel te deftig. Als mijn vriendjes en ik buiten speelden, praatten we als Hiawatha. 

Toen ik net telefoneerde hoorde ik me zeggen: “Ik er morgen zijn.” Geeft niks! (Niks geven!)