Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Pet

Beetje onduidelijk is het wel: mag de conducteur zijn fluitje nu houden of niet? De NS zegt dat het maar op één traject weggaat, Amsterdam-Schiphol, de Airportsprinter waar vaak iets mee is, waardoor je verzenuwd op de luchthaven arriveert. 
Eén traject, maar als zoiets begint, is het einde zoek. Ik weet ook wel dat alles minder wordt, maar een fluitloze conducteur is wel erg armzalig. Natuurlijk, ze hebben genoeg te doen, maar toch. Hoe lang het geleden is dat het spiegelei uit het perronbeeld verdween, weet ik niet, maar ik vind het nog steeds zonde, zo’n mooi rond bordje waarmee de conducteur de machinist het sein gaf te vertrekken.
In mijn kindertijd hoorde het bij speelgoed, dat spiegelei. En er zaten natuurlijk ook een pet en een fluit bij. Ik heb dat ook eens gekregen, maar kon er niet mee uit de voeten. Een cowboypak was een ander verhaal. Gold ook voor een plastic ridderharnas en zwaard. Met je vriendjes en vriendinnetjes bedacht je onrecht en in die uitdossing bestreed je dat. Ook waren er spullen waarmee je doktertje kon spelen. Ik zie ze nog voor me, op geel karton bevestigd, stethoscoop, thermometer en een witte band met een rood kruis erop, allemaal tamelijk matig materiaal, maar je fantasie deed het echte werk natuurlijk. En de buurmeisjes waren fascinerende patiënten.
Maar conducteurtje, nee. De zoet geurende tante die ermee kwam, wilde graag dat ik de rode pet op mijn hoofd zette. Die was te groot en zakte over mijn ogen. “Ga nu maar fijn buiten spelen.” 
Met die pet op en spiegelei en fluit stond ik in de voortuin. Dan is de straat ineens leger en stiller dan anders. De tante stond voor het raam en gebaarde dat ik op de fluit moest blazen. Dat deed ik.