Jano van Gool

In de Pers

The Tree of Life. Soeben ausgelesen: Thomas Verbogt – „Wenn der Winter vorbei ist“ (2020) - Keine 100 Seiten und auch keine 50 Seiten, nein genau eine einzige Seite brauchte es.... - David Wonschewski in:  lees meer
Nieuwe roman van Thomas Verbogt, een wrokloze boomer - Thomas Verbogt zoekt naar manieren om van het leven te houden en er zin aan te geven.... - Rob Schouten in: Trouw lees meer
De nieuwe roman van Thomas Verbogt is wijs, ontroerend en spannend - Is Thomas Verbogt weleens negatief besproken?... - Dries Muus in: Het Parool lees meer

Recent

Er zijn nog geen toneelstukken toegevoegd

Voeding

Als je een bloemenstal hebt, moet je daar een beetje vrolijk in staan. Vrolijk product immers, bloemen. Een chagrijnige bloemenverkoper ontneemt je de zin in de bloemen, maar ja, je moet ze toch hebben, want je gaat ergens op bezoek waar bloemen  op prijs gesteld worden. Het is ook prettig even over de bloemen te praten, niet te lang, bijvoorbeeld hoe ze heten en of ze lang staan. Bij een chagrijnige bloemenverkoper doe je dat niet. Je bent blij als je weer op de fiets zit, met de bloemen. De bloemverkoper bij mij om de hoek ziet er niet chagrijnig uit, maar ook niet vrolijk. Bezorgd – dat is het. Hij vraagt of hij me kan helpen. Misschien moet ik die vraag aan hem stellen, maar ik ben qua hulp helaas geen deskundige. Ik wijs naar een bos witte rozen. `Ja, die zijn mooi,’ zegt de man. Vind ik ook. Hij legt me uit hoe ze behandeld moeten worden. Daar neemt hij de tijd voor. Hij doet zelfs met een mesje streng voor hoe het moet. Dan kijkt hij me aan en zegt: `Ik heb helaas geen voeding.’ Voeding? O ja, zo’n zakje dat je in de vaas moet strooien. Ik zeg dat dat niet erg is: `Of zakken ze dan meteen in elkaar?’ Hij schudt zijn hoofd: `Ze zijn sterk.’ Dan zegt hij waarom hij geen voeding heeft. Ik hoef het niet per se te weten, maar hij zegt het toch: `Ik was overwerkt en had geen tijd voeding te halen.’ Ik knik vol begrip en vraag of het nu weer gaat. Weer schudt hij zijn hoofd: `Ik moet er iemand bij hebben.’ Hij houdt de rozen omhoog: `Geef je ze cadeau?’ Ik knik. Hij niet zijn kaartje aan het inpakpapier.