Er gebeurt zo veel dat ik nog niet echt de ruimte vind om in Sinterklaasstemming te komen. Gisteren zag ik er gelukkig een, ik bedoel Sinterklaas. Hij kwam uit een grijs busje van een stukadoorsbedrijf en liep naar een flatgebouw. Busje reed haastig verder. Er was geen Piet uitgestapt, wat de kleine wandeling van Sinterklaas iets eenzaams gaf. Hij liep overigens waardig, alsof hij werd gadegeslagen door een enthousiaste menigte. Was niet zo. Er was nauwelijks een mens te zien.
Wat ik vaak heb: met iets bezig zijn in huis, klein klusje (ik doe alleen maar klusjes als ze klein zijn) en dan gaat de bel of word ik door iets anders afgeleid. Wanneer ik weer bij het klusje ben, ligt een essentieel ding, schroevendraaier, rolletje plakband, niet meer op de plek waar ik het zojuist achterliet. Ik kijk goed om die plek heen, maar nee, weg. Felle irritatie. Ik ga in huis lopen roepen: “Wie heeft die schroevendraaier gepakt?” “Welke schroevendraaier?” klinkt het van elders. Ah, je vraagt niet zomaar welke schroevendraaier.
Bijna overal zie ik Louis van Gaal geciteerd die tijdens een persconferentie heeft gezegd: “We can come an end.” Is vreemd Engels, maar ik heb waardering voor de poging van de bondcoach duidelijk te maken wat hij bedoelt. En volgens mij begrijpt iedereen hem, ook door hoe erbij kijkt. En om dat begrip gaat het natuurlijk. Louis van Gaal wordt niet geremd door schaamte.
Sommige situaties kun je meteen lezen. Dat is het woord, geloof ik: lezen. Er zijn ook mensen die zeggen: “Ik kan je gezicht lezen.” Vind ik altijd een vreemde mededeling. Het is mijn gezicht, maar ik zal nooit zeggen dat ik het kan lezen, want dat doe je niet met je eigen gezicht. Maar ik weet natuurlijk niet altijd hoe ik kijk. Ik hoor weleens: “Is er iets? Je kijkt zo somber.” Op de vraag of er iets is, ga ik zelden in, maar ik kan me er niet bewust van zijn dat ik somber kijk. Misschien kijk ik van nature vaak zo, terwijl ik het niet ben.
`Besparen brengt rust in je hoofd’ las ik gisteren boven een stuk in deze krant. Kom ik meteen in tweestrijd. Over alles wat rust in je hoofd kan brengen, wil ik alles lezen, ik kan er niet mee ophouden. Maar ja, het gaat over besparen, hartstikke nuttig onderwerp. Alle informatie daarover maakt echter schuldgevoel in me los. Ik moet het doen, ik weet het, maar doe het nauwelijks en het gaat ook veel te nonchalant, te ondoordacht.
Overal lees en hoor je dat Tweede Kamervoorzitter mevrouw Bergkamp haar conclusies moet trekken. Gelukkig vind ik dat ook. Is altijd lastig wanneer iedereen om je heen iets vindt, terwijl je zelf nog geen idee hebt. In sommige kwesties stap ik te laat in. Hier niet. Bij het eerste signaal omtrent mevrouw Arib dacht ik: nee, mevrouw Bergkamp!
Het jaar heeft nog maar enkele weken te gaan. Er gebeurt voortdurend zo veel dat je nauwelijks ruimte hebt om aan het volgende te denken, maar soms lukt dat héél even wel. Het televisieprogramma Blauw Bloed keert vanaf januari terug. Voor wie het niet kent, het behandelt het wel en wee van koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen.
Toen ik hoorde dat Pierre Kartner was overleden, dacht ik weinig, behalve dat ik Huilen is voor jou te laat een vreemd, mysterieus lied vind, en ook herinnerde ik me een avond begin jaren tachtig. Ik woonde toen in Arnhem en mijn buurman was de rock-‘n-roller Hank the Knife, eerder van Long Tall Ernie & the Shakers, maar nu met een eigen band had: Hank the Knife & the Jets.
Mijn kapper houdt van kunst en kitsch. In zijn bedrijfsruimte staan of hangen telkens nieuwe dingen. `Dingen’ is een respectloos woord, maar zo bedoel ik het niet. Weet alleen niet altijd wat iets is. Goudkleurig hondje, prima, dat is een goudkleurig hondje, maar niet alles is even duidelijk.
In het ziekenhuis voor een onderhoudsonderzoekje (zo noem ik het graag) zit ik in een wachtruimte tegenover een kleine poster waarop staat `3 goede vragen bij de dokter’. En daaronder dus die vragen. Ik doe best lang mee met het leven en tijdens dat traject bezocht ik met niet al te verontrustende regelmaat een dokter, maar nooit dacht ik vóór zo’n bezoek na over kwaliteit van mijn vragen. Die vragen kwamen stamelend in me op tijdens ons gesprek. Het vaakst stelde ik de vraag: “Is het erg, dokter?”