Gisterochtend zag ik al vroeg een kok op televisie. Een Nederlandse kok die in een schraal verlichte en sobere keuken in Pyeongchang stond. Hij keek bedrukt in de camera en sprak over bitterballen. Hij noemde bitterballen `een emotioneel product’. Hij maakte er tijdens de Winterspelen 1200 per dag, maar dat kon hij aan. Hij herhaalde het: een emotioneel product. Even leek het alsof hij daadwerkelijk door emoties overmand werd, maar hij hield zich in.
De verpleegkundige heeft een gezellig Brabant accent. We lopen samen naar de ruimte waar wat rond mijn hart wordt onderzocht. Hij vraag of ik weet waarvoor ik kom. Ik zeg dat ik dat weet. Hij vraagt: “Waarvoor komt u dan?” Waarschijnlijk moet hij dat vragen, want misschien zijn er mensen die daar geen idee van hebben of iets volstrekt anders verwachten. Ik zeg waarvoor ik kom. De verpleegkundige complimenteert me.
Grote woorden waaien ons flappend om de oren. Demoniseren. Demythologiseren. Het eerste trekt politicus Baudet bozig uit de kast, maar het is veel te groot voor wat hij bedoelt. Als je kritiek op iemand hebt, voor mijn part forse kritiek, ben je niet meteen aan het demoniseren. Belachelijk daarmee te komen, maar goed, wie vindt dat niet?
Eerder schreef ik hier over de typering `mensenmens’. Alles erin is prima bedoeld, maar ik houd er niet van, zeker niet wanneer iemand het van zichzelf zegt: “Ik ben een echt mensenmens.” Waakzaamheid is dan geboden. Heb ik ook wanneer iemand lachend roept: “Eigenlijk ben ik een heel gek mens!” Meestal is dat trouwens een vrouw, maar dit bedoel ik niet kwetsend.
Met belangstelling kijk ik altijd naar rolverdelingen tussen mensen in het openbare leven. Wie heeft de leiding? Hoe gaat het met de hantering van kritiek?
Als ik op zaterdagochtend thuis ben, luister ik meestal naar het radioprogramma De Taalstaat, gepresenteerd door Frits Spits. De naam zegt het al, het gaat over onze taal, over taalkwesties. Het kan me niet lang genoeg duren.
Mijn vader had een broer die een man de wereld was. En niet zo’n beetje ook. Hij was overal op die wereld geweest, reisde nog steeds rusteloos en zat vol stralende verhalen. Er waren ook veel vrouwen en dat waren andere vrouwen dan die ik uit mijn omgeving kende. Ook van de wereld, zal ik maar zeggen.
Dinsdag scheurde ik een artikel uit deze krant. Het ging over rijtjeshuizen, een interview met Friso de Zeeuw, die tot voor kort hoogleraar gebiedsontwikkeling was. Hij breekt een lans voor de rijtjeshuizen, voor zover dat nodig is, want hij is stellig van mening dat mensen die in rijtjeshuizen wonen daar erg tevreden over zijn.
Patiënten van de fysiotherapeut worden steeds jonger. Komt ook door het bijna voortdurende getuur naar beeldschermen en – schermpjes. Aan mijn bureau zit ik ongeveer de hele dag voor een beeldscherm, is mijn werk, maar ik plak niet staand of lopend aan de apparaatjes. In bed kijk ik voordat ik ga slapen op mijn tablet naar een film en dan is het altijd even zoeken naar een houding die comfortabel is. Of dat de beste houding is, geen idee.
Misschien moet ik eraan wennen, maar dat wil ik niet. Ik bedoel dat ik in kranten en tijdschriften artikelen zit te lezen waarvan ik nauwelijks iets, eigenlijk niets begrijp, terwijl ik door de bank genomen best veel begrijp en ook tot de doelgroep van de krant of het tijdschrift behoor. Ik heb het niet over vaktijdschriften.