Mijn verhouding met goede doelen wordt troebel. Ik heb het over goede doelen die zich op straat manifesteren, en denk bijvoorbeeld aan de collectebus van gisterochtend. Collectebussen vind ik trouwens erg van vroeger. Deze werd vastgehouden door een man die voor de supermarkt stond. Hij keek ontstellend treurig, alsof het zojuist tot hem was doorgedrongen dat hij zelf nooit een goed doel zou worden. In de supermarkt betaalde ik met mijn pinpas en ik had geen geld op zak, behalve de munt waarmee ik het winkelwagentje ontkoppelde.
Van het begin van het sollicitatiegesprek dat EU-commissievoorzitter Juncker met minister Timmermans had, zijn foto’s gemaakt. Een ervan zag ik. De mannen zitten tegenover elkaar en tussen hen in staan vier flesjes Spa, twee met en twee zonder bubbels (om dat kinderachtige woord maar weer eens te gebruiken). En vier glazen, dus voor ieder flesje een, want je moet de boel natuurlijk door elkaar schenken. De eenvoud van het tafereel is aantrekkelijk. In dit geval dus de eenvoud van wat er gedronken kan worden.
Minister Timmermans is binnenkort geen minister van Buitenlandse Zaken meer. Dat is jammer. Hij wordt vice-voorzitter in de nieuwe Europese Commissie. Dit noteer ik losjes, maar geen idee wat ik bedoel. Laatste dagen las ik over deze functie en begrijp dat hij iets gaat doen waarmee hij niet populair wordt. Waarom wil je dat? Deze vraag had ik natuurlijk gewoon kunnen beantwoorden wanneer ik me van het begin af aan verdiept had in wat er vanuit Brussel voor Europa geregeld wordt. Heb ik niet. Niet uit luiheid, maar het was in de begindagen nogal mistig daar.
In dagblad Trouw lees ik een ingezonden brief van een vrouw die zegt dat het terecht is dat er maatregelen komen tegen seksuele intimidatie op straat, maar dat we ook weer niet moeten overdrijven. Ze schrijft dat lachen, fluiten en staren bij het leven op straat horen. Ze herinnert zich dat een stratenmaker `Daar gaat ze’ begon te zingen toen ze passeerde en dat ze daar een goed humeur van kreeg. Zelf ben ik te verlegen om zo’n lied te gaan zingen, maar kan me wel in haar woorden vinden. Het hoeft allemaal heus niet meteen ordinair te worden.
In de viswinkel vraagt de jongen achter de vis of hij me kan helpen. In de nabijheid van veel vis voel ik altijd dat ik hulp kan gebruiken. Ik wijs naar de tong en wil weten wat de baktijd is. De jongen antwoordt: `Drie minuten per kant. In olijfolie.’ Ik zeg: `Doe maar twee filetjes.’ De jongen grijpt naar de tong en geeft dan toe dat hij zelf niet kan fileren, maar dat zijn vader dat altijd doet. Hij wijst met zijn hoofd naar een man die in een hoek van de winkel met een voor mij onduidelijk apparaat in de weer is.
In mijn hoofd zit een lijstje woorden die vaak worden gebruikt, maar langzamerhand steeds minder betekenen, juist omdat ze zo vaak worden gebruikt. Te vaak. En te snel. Dat lijstje wordt steeds langer. `Interessant’ staat erop, `leuk’ natuurlijk, helaas ook `integer’, `afweging’ en zo kan ik een column lang doorgaan. Ik denk dat `profileren’ en `profiel’ er ook bij moeten, zeker als het daarover gaat in omroepland. De NPO gaat de profielen van de publieke tv-zenders aanscherpen.
Tijdje geleden was ik gast in een radioprogramma. Eerste vraag van interviewster: `Kun je in één zin zeggen waar je boek over gaat.’ Van zo’n vraag word ik onrustig. Ik antwoordde dat ik dat niet kon, dat ik er een jaar aan had gewerkt en dat dan één zin te weinig is. En vervolgens stak ik van wal. De ander vond het niet erg dat ik niet uit de voeten kon met één zin, als ik maar geluid voortbracht. Het was immers radio.
Deze week kocht ik voor het eerst sinds lange tijd het Franse tijdschrift Paris Match. In de tweede helft van mijn middelbare schooltijd was het soms verplichte lectuur in de lessen Frans. Daarna kwam het me nog maar zelden onder ogen. Ja, ik trof zo nu en dan een exemplaar aan op een logeeradres en dat las ik dan geïnteresseerd. Er stond altijd veel in. Op de voorkant van het nummer van deze week is een foto van Brigitte Bardot te zien. Daarom trok het mijn aandacht, terwijl ik nog maar zelden aan haar denk.
Als je man of vrouw van de wereld bent, voel je je overal thuis. De wereld is van jou en dat zal de wereld weten ook. Ben soms jaloers op dat type mens, op de makkelijke manier waarop ze zich door de samenleving bewegen. In een restaurant bijvoorbeeld. Veel mensen gedragen zich daar ietwat timide, de man of vrouw van de wereld niet. Laatst zag ik een grote blozende man met veel pak aan staande de menukaart lezen, terwijl hij hard en met natte stem vroeg: `Wat hebben ze hier voor lekkers?’ Op zo’n man ben ik niet jaloers.
In de supermarkt vraagt het meisje achter de kassa of ik zegels spaar. Ik zeg gretig ja, terwijl ik meteen besef dat ik nog nooit in mijn leven zegels wilde. Toen ik klein kind was in de late jaren vijftig merkte ik dat je bij min of meer alles zegels kreeg. Dat hoorde bij de spaarzaamheid die de nieuwe tijd typeerde. Uiteraard dacht ik dat als kind niet in die woorden, maar het drong allemaal wel tot me door. Ik wist zeker dat ik ouder zou worden in een tijd waarin zegels onzinnig zouden zijn. Het meisje achter de kassa stelt haar vraag onweerstaanbaar.