Eerste aan wie ik denk: Natasja Froger! Maar nu sla ik een paar stappen over. Ik moet beginnen bij verkeersminister Barry Madlener, die niet alleen wil dat onze auto’s lekker over de snelwegen kunnen jakkeren, maar ook dat alle fietsers een helm dragen. Niet alleen fietsers die op een elektrische of fatbike zitten.
Zeker weten doe ik het niet, maar ik denk dat ik het in mijn puberteit ontwikkelde: als iets waar is maak je het nog meer waar door erover te praten. Voorbeeld: als het weer eens uit was met een meisje en ik gezelschap van mijn vrienden nogal stilletjes was, vroegen die: “Is er iets?” Heb ik altijd een van de ergste vragen van erge vragen gevonden: “Is er iets?” Er is áltijd wat! Maar je hoeft niet per se te zeggen wat dat is. Je hebt er last van en alle woorden ervoor maken het nog lastiger. Ik geloof dat ik het nog steeds heb.
We doen veel `voor de zekerheid’. Ik ook. Daarom zocht ik gisteren minstens een uur naar de plek waar ik mijn zoveelste coronaprik ging halen, een kolossaal bijna leeg kantoorgebouw waarin op de begane grond een priklocatie was ingericht, één beknopte ruimte waar alles dicht op elkaar gebeurde, aanmelding, administratie, wachten, prik (één mevrouw die dat deed), even blijven zitten, stempeltje halen voor in het gele boekje. Het geheel deed denken aan een medisch wijkcentrum in het communistische Oostblok voor de val van de Muur.
Voor het eerst zit ik met een compliment in mijn maag. Het begint voor een open brug. Ik sta daar op mijn fiets te wachten tot die weer dichtgaat. Naast me staat een sportieve tomaatkleurige auto waarin een man zit die het raampje aan mijn kant naar beneden laat zakken. Hij buigt zich daarheen en roept naar me: “Alles goed?”
Er zijn verschillende redenen waarom je als reiziger de trein onverwacht moet verlaten. Er wordt bijvoorbeeld omgeroepen: “Beste reizigers, deze trein wordt opgeheven. Wilt u de trein dan ook verlaten en denk daarbij aan uw eigendommen.” Soms wordt dat laatste anders gezegd: “Uw persoonlijke eigendommen.” Klinkt gewichtig, maar is onzin, want `uw eigendommen’ zijn al persoonlijke eigendommen. Verder niet erg, maar daaraan loop ik dus te denken bij het verlaten van de trein, ver weg van mijn bestemming.
Vandaag zou mijn moeder 99 zijn geworden. Ze was al een eind op weg, maar in het jaar van haar 92ste vertrok ze naar de andere kant, op een vroege, zonnige ochtend in april. Toch heeft deze dag nog steeds een betekenis die zich moeilijk laat omschrijven. In ons gezin was haar verjaardag de eerste. Die van mijn vader was in november, de mijne in de december, die van mijn twee zusjes in januari en februari.
Om alert te blijven probeer ik nooit ding tegen een ding te zeggen, maar hoe het heet. Soms weet je dat echter niet. Voorbeeld. Bij een benzinestation wil ik tanken en ik stop bij een pomp waar ik met mijn betaalpas moet betalen. Die wordt echter niet geaccepteerd door de pomp. Weet niet waarom. Eerder op de dag heb ik er van alles mee betaald. Ik rijd naar de pomp ervoor. Die doet het niet, er komt geen benzine uit de slang. Dan zie ik een ding staan waarvan ik dus niet weet hoe het heet.
Voor wetenschappelijk onderzoek waarvan je je afvraagt wat we ermee moeten, kan ik warme belangstelling hebben. Tijdje terug zat er in Nieuwsuur een mobiliteitsdeskundige die zich op de universiteit enige jaren had beziggehouden met het parkeren van auto’s en daarop ook gepromoveerd was. Een van zijn voornaamste conclusies was dat mensen niet minder winkelen als ze niet in de buurt van de winkel kunnen parkeren.
In bijna alle kranten stond gisteren te lezen dat Donald Duck een nieuwe buurvrouw krijgt. Nieuws dat goed is voor je humeur. Die buurvrouw heeft ook een zoontje. Eva Hamerslag en Lex, zo heten ze. Mevrouw Hamerslag is een alleenstaande moeder.