Dit jaar heb ik geen last gehad van eindexamendromen. Het jaar ervoor ook niet. Voorheen schoot ik in deze periode ’s nachts weleens wakker, bang dat er in de ochtend een functionaris voor de deur zou staan met de mededeling dat mijn diploma alsnog ongeldig is bevonden. Fraudegevalletje. “U moet alles overdoen.” Dan drong het tot me door dat het maar een droom was en ook dat ik die droom ieder jaar had, soms in een andere vorm, maar het kwam op hetzelfde neer: overdoen.
Gisteravond was ik niet thuis, zag dus ook niet De Gert & Hermien Story, wat niet nodig was, want de dagen ervoor las en hoorde ik er zo veel over dat ik die documentaire al min of meer gezien had. Ik vind dat een merkwaardige gewoonte in omroepland. Dat ze ons prikkelen iets te gaan zien is begrijpelijk, maar om alles uit de doeken te doen, vind ik een hysterische gang van zaken.
Hier om de hoek is een terras dat bij een restaurant hoort waar ik kom als er `een speciale aanleiding’ is. Iets te vieren, zoiets. Geen verjaardag, nee, iets hogers. Je trekt er je zondagse kleren bij aan, wat in dat restaurant ook de bedoeling is, geloof ik. Als je er binnenkomt, word je meteen bedeesd, vroeger ook zenuwachtig, maar die tijd is gelukkig voorbij.
In mijn woonplaats deed de GGD het zondag al, een stempel zetten in `het gele boekje’. Ik wist niet eens dat ik het nog had, maar zonder ernaar te zoeken zag ik het ineens liggen toen ik een kast opende waarin ik uit zelfbescherming nooit kijk. `Internationaal bewijs van inenting tegen gele koorts’ staat erop. Die woorden was ik ook vergeten, maar ik las ze hardop. Ik heb niet veel internationale bewijzen in huis. En toen dacht ik: ik neem het gewoon mee. Dus naar de evenementenhal waar ik zondag mijn tweede prik ging halen.
Valt me tegen, van mezelf dit keer. Niet dat ik gisterochtend wakker werd, maar wel dat ik niet metéén dacht: tweede prik vandaag. Nou ja, ik dacht het wel, maar merkte helaas dat ik net deed alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. En niets vind ik in principe de gewoonste zaak van de wereld, want haast niets is gewoon, gelukkig.
Beetje vroegzomers terrasje, niet te groot, wat voor mij van belang is, niet te druk, idem, in de schaduw, uitstekend, en ik zit daar met een boek, maar zo’n boek heb ik meer bij me voor de vorm, ik staar graag voor me uit. En dat doe ik. Mijmeringen dienen zich dan vanzelf aan, van die richtingloze mijmeringen, maar soms heb ik daar behoefte aan. Op een terras komen die beter tot hun recht dan achter mijn bureau waar ik even graag zit.
Zeg ik vaak “Dat is niet uit te leggen”? Meestal heb je er dan geen zin in. Of is het te veel moeite voor een uitleg die waarschijnlijk nauwelijks indruk maakt.
Zeker weten doe ik het niet, want ik weet niets zeker, maar ik neem toch aan dat binnenkort alle praatprogramma’s met vakantie gaan, in ieder geval de meeste. Behalve die over sport. Daarover dadelijk. In het begin van de coronatijd keek ik er vaak naar, om geïnformeerd te worden natuurlijk, maar ook omdat ik de nieuwsgierig was hoe we omgingen met de consequenties van een situatie waaraan we niet gewend waren en die beklemmend was. Voordat ik er erg in had, werd het een gewoonte.
In de zesde klas van de lagere school hadden we een onderwijzer die spannend kon voorlezen. Deed hij altijd aan het einde van de schooldag. Meestal uit een avontuur van Pim Pandoer. Wij konden niet wachten, ook de jongens die nooit zin hadden ergens op te wachten. Tussen de middag gingen we snel naar huis voor een boterham en daarna was bijna bij ieder van ons de concentratie duchtig verslapt. De leerkracht had dat in de gaten. Hij stak het Pim Pandoer-boek omhoog (De schrik van de Imbosch) en zei: “Nog even. Maar dan moeten jullie wel goed je best doen!”
In haast alle media wordt de vraag gesteld hoe het zit met onze Oranjekoorts. Meteen komt ook het antwoord: valt wel mee. Als ik het goed begrijp is dat laatste een probleem, want het hoort zo bij ons dat we die koorts wél hebben. Deskundigen zeggen dat het de schuld van corona is: onze saamhorigheid is verdwenen. We mogen bijvoorbeeld niet in groepsverband voor een groot scherm in een café of op een plein gaan zitten. Onze straten hysterisch optuigen mag wel, maar daar zie ik nauwelijks beelden van. Zijn er nieuwe liedjes? Ik hoor die niet.