Lang geleden dat ik op een boot ben geweest. Dat denk ik op weg naar Vlieland. Daar moet ik zijn vanwege een kunstproject waarover ik niets kan zeggen, niet omdat ik het niet wil, maar omdat ik het niet kan. Klonk goed toen ik op de uitnodiging inging: schrijvers en musici maken van alles over een eiland. Wat het moet worden, is me nog niet helemaal duidelijk, maar dat heb ik vaak met dingen die nog wat moeten worden, waarbij ik bijvoorbeeld aan een verbouwing denk. Je geeft je over aan iets zonder te weten wat dat is.
“Waar denk je aan?” Die vraag komt me bijna altijd slecht uit, maar waarom mag iemand het niet vragen? Denken kan een belangrijke bezigheid zijn waarover je best wat informatie mag verstrekken. Waarom ik de vraag moeilijk verdraag, is omdat die altijd komt wanneer het me niet duidelijk is waaraan ik denk. Daarom is de belangstelling haast even erg als: “Is er iets?” Er is altijd wel iets, maar toch is het gebruikelijk te antwoorden: “Nee, hoor er is niets. Hoezo?” Vooral dat `Hoezo?’ kan het begin zijn van een gedachtewisseling met een ontmoedigende dynamiek.
Van spreekwoorden en gezegden houd ik niet, zeker niet wanneer die over het weer gaan, wat ook komt omdat ik het niet graag over het weer heb. Als iemand zegt “April doet wat hij wil”, gaan die woorden als een vuist in mijn maag tekeer. Ook voel ik lichte schaamte die ik nauwelijks kan verklaren. Waarschijnlijk omdat ik deel uitmaak van een situatie waarin iemand dat parmantig verzucht.
Terwijl ik gistermorgen in deze krant het stuk over de geur van de Noordzee lees (en andere geuren), ruik ik die geur ook. Het is iets voor half 8, ik zit met de krant opengeslagen aan tafel, kopje espresso ernaast. Dat zijn ook al drie geuren: die van de vroege ochtend, de dag ruikt anders dan in de avond, de geur van drukinkt en die van sterke koffie. Het zijn geuren waarvan ik goede zin krijg. Maar ik léés over de geur van de Noordzee, wat niet dezelfde geur is als die van bijvoorbeeld de Middelandse Zee. De woorden over die geur zorgen ervoor dat ik de Noordzee ruik.
Donderdagvond kreeg ik berichten van leeftijdgenoten, en met leeftijdgenoten bedoel ik nu intimi uit exact hetzelfde geboortejaar (door sommigen `bouwjaar’ genoemd, waar ik nooit voor ben), met de boodschap: “We zijn aan de beurt!” Gevolgd door de aansporing meteen de GGD te bellen voor een afspraak. Was laat in de avond, misschien lagen ze bij de GGD al op één oor, dus ik nam me voor het de volgende dag meteen te doen, ook al zie ik altijd op tegen het maken van dit soort afspraken omdat ik dan van alles bij de hand moet hebben.
Als een gang van zaken `toestanden’ wordt genoemd, is waakzaamheid geboden. Italiaanse toestanden bijvoorbeeld. Dat hoor je weleens: “Ja, dan krijg je dus Italiaanse toestanden!” Meestal is er dan geen andere typering voorradig en moeten we een beetje tasten naar wat er precies bedoeld wordt. Ja, we weten dat het om chaos gaat, veel geschreeuw en weinig wol, snelle verontwaardiging die met opgeheven handen en armen gepaard gaat, dat het allemaal nogal een rommeltje is, maar ik houd er eerlijk gezegd van. Alleen al daarom kom ik graag in Italië.
In een interview met een caféhouder uit Amersfoort lees ik dat hij jaloers wordt als hij de Engelse premier Boris Johnson nu al een pint bier aan zijn liepen ziet zetten. Heb ik ook gezien, op een foto of in het journaal, en dat is inderdaad een aantrekkelijke manier van bier drinken, waarbij ook de grootte van het glas een rol speelt, een pint, lekker formaat. Ook zet hij het glas goed aan zijn lippen, hij is het gewend: de lippen bereiden zich voor op de eerste slok. Ik drink nauwelijks bier, maar heb dat ooit intens gedaan en ik ken de smaak van de eerste slok.
Als je het over onze premier hebt moet je er in deze tijd eigenlijk altijd bij zeggen dat hij demissionair is, maar dat weten we onderhand wel. Tijdens zijn teleurstellende persconferenties zegt hij, onze premier dus, haast iedere keer dat iedereen in de gezondheidszorg zich het snot voor de ogen werkt. Is verder niet belangrijk, maar ik vind het een onaangename uitdrukking. Mart Smeets roept het soms over een wielrenner die op het kookpunt van een bergetappe aan kop gaat: hij fietst zich het snot voor de ogen. Misschien heeft Mart die zegswijze zelf bedacht.
Toevallig keek ik op en zag mijn buurman het huis passeren, in grote haast, wat uitzonderlijk is, want hij is altijd in de ban van onwaarschijnlijke rust. Hij ziet dat ik hem zie, en maakt een prikbeweging bij zijn rechter bovenarm.
Aan Lee Towers denk ik haast nooit. Als ik hem zie en hoor, denk ik: sympathieke man, als de hele wereld uit Lee Towersen zou bestaan, hoefde er nergens militair worden ingegrepen. Zijn repertoire vind ik niet te doen, maar dat ligt aan mij. Als hij uit beeld is, blijft er geen spatje van hem hangen in mijn gedachten, zelfs als ik hem heb zien huilen, wat dikwijls voorkomt wanneer hij geïnterviewd wordt, in principe ook sympathiek.