Als mensen beetje plechtig proberen te praten, wat bijvoorbeeld politici van harte doen, hoor ik ze vaak zeggen dat ze afwegingen maken, liever dan “Ik moet er nog over nadenken”. Zelf heb ik nog nooit beweerd dat ik afwegingen maak, heb zelfs nooit beseft dat ik dat aan het doen was. Tot eergisteren toen ik enorm verkouden wakker werd en niet snapte hoe dat kwam, misschien door een tochtige droom. Op het moment dat ik me nog even wilde omdraaien, schoot fel door me heen: corona!
Nog even. Dat zeggen we deze dagen vaak tegen elkaar: nog even. Zo vaak dat ik niet meer weet hoe ik erbij moet kijken. De versoepeling, daar gaat het dan over. Net alsof die het begin is van een nieuwe tijd. Misschien is dat ook even zo, maar hoe lang duurt het voordat we die weer als de normaalste zaak ter wereld beschouwen? En hoe lang duurt het voordat we ons afvragen hoe het ook alweer was, die coronatijd? Dat we ’s avonds niet naar buiten mochten! Niet naar een restaurant konden! En een van de allerergste kwesties: dat we niet mochten knuffelen!
“Heb je al gebéld? Je kunt gewoon bellen, hoor.” Gaat over de GGD. Vaccinatie. Mensen zeggen dat ik moet bellen want er is altijd wel `een plekje vrij’, waarmee bedoeld wordt dat er vaccins over zijn, en die moeten natuurlijk wel ergens in, in mij bijvoorbeeld.
Er wonen best veel mensen in Den Haag, ook dames en heren, maar als we het over de dames en heren in Den Haag hebben, bedoelen we de politici, vooral de prominente. Uit hun contacten met de media blijkt dat ze nu eerst rust willen, de heer Hoekstra heeft het over afkoelen. Een van de interessantste heren in Den Haag is de komende tijd de heer Segers. Hem wordt verweten dat hij de heer Rutte een Judaskus gaf, afgelopen zaterdag, dus nog voordat iedereen afgekoeld tot rust was gekomen.
Gisteravond keek ik niet naar het programma Het mooiste meisje van de klas. Ik weet dat het fascinerend kan zijn, maar van al die uitzendingen zag ik tot nu toe soms alleen een fragment. Vind het te confronterend. In de klassen waarin zat, op de lagere en middelbare school, waren geen meisjes. Jongensscholen immers, katholieke.
Zaterdag koop ik doosje wijn in een loeidrukke, coronaloze supermarkt. De kordate caissière zegt: “U ben boven de 18, zie ik.” Ik zeg: “Net.” Zij: “Dacht ik al.” Even zoek ik naar een reactie, maar ik laat haar de laatste slag. Drie slappen grappen binnen nog geen 5 seconden. We weten dat het grapjes van niks zijn, maar toch vinden we het prettig ze te maken. Dat soort flinterdunne saamhorigheid is soms nuttig.
Tot middernacht keek ik eergisteren naar wat zich in de Tweede Kamer afspeelde. Toen was ik bekaf en ik wist ook waarom: door de onrechtstreeksheid van alles wat er werd gezegd, niet in de vragen, in de antwoorden. Natuurlijk, hoort bij het politieke spel, want dat het een spel is, was maar weer al te duidelijk, mét alle verontwaardiging. Het slotakkoord van het spel: de heer Rutte stapt niet op. Is niet verbazingwekkend.
Is me vast een keer uitgelegd, vaker, maar waarom Goede Vrijdag Goede Vrijdag heet, weet ik niet meer. Wel wat wie die dag gedenken, en daar gaat het om, de kruisiging van Jezus Christus. Ik zeg het erbij, omdat het nogal wat is. Of je nu `een gelovige’ bent of niet. Hij geloofde er zelf wel in, in de betekenis van zijn dood. Daarom liet hij zich tot zijn laatste snik martelen, het moest zo erg mogelijk zijn.
Wilde er één keer eentje hebben, een document dat aantoont dat ik me niets van de avondklok hoef aan te trekken. Dinsdag was het zover! De laatste dag van de oude avondklok, dus om 21 uur binnen.
Moment staat me nog helder bij, maar niet meer wanneer het was. Ik bedoel: uurtje langer buiten spelen. Daarvoor mocht het `nog even’ en dat was heel wat. De langste kinderfase werd begrensd door het tijdstip van 6 uur. Het benauwende woord was `Binnenkomen!’, voorafgegaan door je naam. Je was nog aan het voetballen op straat, wat in mijn geval niet veel voorstelde, maar toch. Ineens riep je moeder je voor het eten, wat, geloof ik, wat later dan 6 uur was, maar je moest wel binnen zijn, handen wassen en zo.