Nog maar een kort tijdje terug was het betrekkelijk eenvoudig: in de mail arriveerde een bericht van een adres dat je niet kende, en daarin stond dat een pas gestorven Nigeriaanse prins je in zijn testament had opgenomen. Je kreeg binnenkort 36 miljoen dollar, en meestal nog wat achter de komma. Graag even je gegevens en dan kwam alles piekfijn in orde. Je wist meteen: linke soep. Ik ken veel mensen die dat soort post ontvingen, maar niemand die daarop reageerde.
Niemand maakt er een strenge regel van, maar als je nadenkt over de best nabije toekomst, is het van belang dat we niet al te lang onder de douche staan. Wisten we eerlijk gezegd al, maar met wat we weten, doen we soms minder dan de bedoeling is. Kan moeilijk woord zijn: bedoeling.
Je kunt natuurlijk niet van álle praktische problemen in het alledaagse leven op de hoogte zijn. Is maar goed ook, want daar zou je alleen maar nóg onrustiger van worden. Misschien let ik niet altijd goed op, maar soms weet ik niet eens dat iets een probleem is. Op het moment dat ik het besef, begint het probleem me enorm te regeren, niet het probleem an sich, nee, dat het bestáát.
Vaak schrijf ik hier dat ik hecht aan een samenleving die ook echt een samenleving is. Samenleving is een sterk woord, je leeft met elkaar en daarvan ben je je ook bewust. Een samenleving vraagt ook iets van je. Nou ja, iets, best veel. Een samenleving is meer dan een organisatie die mensen in staat stelt met elkaar om te gaan. Aan een samenleving ligt ook een mentaliteit ten grondslag.
Wanneer ik door de uitgang van een sportartikelenwinkel loop (aangenaam dat woord op te schrijven, sportartikelenwinkel) gaat het alarm fanatiek piepen. Ik draai me om naar de kassa waar ik zojuist heb afgerekend, en probeer sterk onschuldig te kijken. Het meisje dat bij die kassa staat, wenkt me huiselijk, ik zie dat haar mond zegt: ‘Vergeten te scannen.’ Het is er erg druk, ik doe mijn best naar de kassa te lopen als iemand die het écht niet in zijn hoofd haalt iets te ontvreemden. Ga je beetje raar van kijken, voel ik.
‘Even kijken waar hij is,’ zegt een vader met wie ik in gesprek ben. Hij heeft het over zijn zoon van dertien die op de fiets op weg naar huis moet zijn, en kijkt op zijn mobiel. Ik vraag hem of die zoon wéét dat het zichtbaar is waar hij zich bevindt. ‘Natuurlijk,’ zegt de vader.
Mooi begin van de dag gisteren: in de radioreclame vóór het nieuws van half 7 waren The Rolling Stones al te horen, piepklein lekker fragment van de plaat die gisteren verscheen, Foreign Tongues. De liefhebber wist het al: 10 juli, dag om aan te kruisen in je agenda, nieuwe Stones, bijzonder dag dus, beetje een feestdag zelfs. Zal niet iedereen vinden, maar ik wel. In 1963 kocht ik hun eerste plaat, geen elpee, daar had ik geen geld voor, nee, singletje: It’s All Over Now.
Van de rooms-katholieke kerk nam ik lang geleden afscheid, want dat deed je nu eenmaal als puber en daarna kwam het er niet meer van dat afscheid ongedaan te maken. Veel rooms-katholieke gebeurtenissen staan me wel nog helder voor de geest. Normaal leiden ze een slaperig bestaan in mijn herinneringen, maar ineens kunnen ze worden wakker gemaakt, meestal door iets wat ik lees.
In deze buurt moeten we ons afval zelf adequaat regelen. Twee keer per week komt de vuilniswagen, maar glas en papier moeten in bakken een eindje verder om de hoek, gescheiden, glasbak, papierbak.
Voor me fietst een man die ontzettend hard Happy Birthday fluit, niet alleen hard, maar ook ontzettend zuiver. Net kunst. En als het klaar is begint hij opnieuw. Ik blijf even achter hem fietsen, want van dat soort uitingen word ik altijd nieuwsgierig. En vrolijk.