Als ik iets over mijn karakter moet zeggen, vind ik dat moeilijk. Ik heb het dan wel over de herfst. Het zal niet voor niets zijn dat ik zo van dat seizoen houd. Augustus is bijna twee dagen oud, dus nog even en dan zit de r weer in de maand. Het is nog niet meteen herfst, maar lang duurt het niet meer.
Het is tegen middernacht als ik iemand hoor snikken. Ik zit aan een klein bureau op een hotelkamer in Santiago de Compostela. Het hotel ligt aan de rand van de oude stad. Een zachte zomeravond, bijna stil. In de verte is er nog wat verkeer hoorbaar, maar vanuit het oude centrum komen nauwelijks geluiden. Het snikken is behoorlijk intens en afkomstig van een vrouw. Het houdt ook niet op. Soms wordt het meer dan snikken, het tragische geluid dat bij huilen hoort. Dat duurt telkens maar even, dan wordt het weer snikken. Het huilen is minder hard dan het snikken.
In het binnenland van Spanje is soms een gebied dat je aan `het midden van niets’ doet denken. Niet dat ik vaak in het midden van niets ben geweest, maar ik snap wel wat ermee bedoeld wordt. En als ik het niet snapte, snap ik het nu. De eigenaar van een klein hotel in zo’n gebied zegt dat het niet lang duurt en `het is hier overal woestijn’. Hij spreekt die woorden niet hoopvol uit.
Als je vanaf Bordeaux via de grote autoweg Spanje binnen rijdt, denk je misschien 100 kilometer dat je in een geweldig goed georganiseerd en zeer welvarend land bent beland. Dat is niet zo, weet iedereen die wat verder doorrijdt. In het begin is alles dik in orde. En prachtig, maar dat is de rest van Spanje ook.
Soms moet je een gesprek met een wildvreemde voeren, alleen maar omdat je in een situatie bent beland waarin jullie toevallig samen zijn. Je bent beleefd, de wildvreemde ook, er is tijd te doden, de stilte moeilijk te verdragen, kortom allerlei redenen om geluid te maken. Het kan gebeuren dat het gesprek een kant opgaat waarin je helemaal geen zin hebt. Als de wildvreemde geen wildvreemde was, maar een vriend of een kennis, dan kon je er iets aan doen. “Ho, ho,” roepen bijvoorbeeld. Of: “Je weet dat je daarmee niet bij mij aan moet komen.”
Was het vorig jaar of het jaar daarvoor? Minister Plasterk had tijdens zijn vakantie een baard laten staan en zorgde ervoor dat die door iedereen gezien werd. In interviews kwam de baard aan de orde: of de baard een betekenis had? Was niet zo, Plasterk had zich gewoon een maand of iets langer niet geschoren. Daarom zag hij eruit als kabouter Plop. Toen de baard in alle media was getoond, haalde de bewindsman de baard er weer eraf. Einde verhaal, niets aan de hand. Thierry Baudet laat ook een baard staan en dat blijft zo totdat er een nieuw kabinet is.
Om redenen die misschien interessant zijn, maar die ik niet kan uitleggen, bezocht ik eergisteren in het zuiden van Frankrijk een protestante kerkdienst. Protestant is misschien een iets te vage aanduiding, maar ik kan er niet meer van maken. Het was de vierde in mijn leven. De laatste keer was lang, lang geleden.
Graag zoek ik overal de zin van. Zojuist stond ik in het zuiden van België ongeveer drie uur in de file. Zo lang overkomt me niet vaak. Daar begint het zoeken van de zin al: als je het bijna nooit meemaakt, waarom nu wel? Zo’n vraag doet iets.
Tijdje geleden verloor ik een bril. Had ik niet op, maar zat in een brillendoos in de zak van mijn colbert. Gek dat ik niet meer weet waarom ik twee brillen bij me had, dus een op mijn neus, de andere in mijn zak. Moest ergens heen fietsen en had haast. Wil ik zo min mogelijk, haast hebben.
Van het vroege begin van de dag houd ik zeer. In het prille dagelijks leven hangt een stilte die inspirerend is: straks gaat er weer van alles gebeuren, welke gebeurtenis breng je zelf op gang? Met de ochtendkranten ga ik soms in een café zitten dat om een uur of zeven opengaat. Er klinkt nog geen harde muziek en er zijn meer mensen als ik, met kranten en koffie voor zich en een tosti bij wijze van ontbijt.