Vaak schrijf ik hier dat ik hecht aan een samenleving die ook echt een samenleving is. Samenleving is een sterk woord, je leeft met elkaar en daarvan ben je je ook bewust. Een samenleving vraagt ook iets van je. Nou ja, iets, best veel. Een samenleving is meer dan een organisatie die mensen in staat stelt met elkaar om te gaan. Aan een samenleving ligt ook een mentaliteit ten grondslag.
Wanneer ik door de uitgang van een sportartikelenwinkel loop (aangenaam dat woord op te schrijven, sportartikelenwinkel) gaat het alarm fanatiek piepen. Ik draai me om naar de kassa waar ik zojuist heb afgerekend, en probeer sterk onschuldig te kijken. Het meisje dat bij die kassa staat, wenkt me huiselijk, ik zie dat haar mond zegt: ‘Vergeten te scannen.’ Het is er erg druk, ik doe mijn best naar de kassa te lopen als iemand die het écht niet in zijn hoofd haalt iets te ontvreemden. Ga je beetje raar van kijken, voel ik.
‘Even kijken waar hij is,’ zegt een vader met wie ik in gesprek ben. Hij heeft het over zijn zoon van dertien die op de fiets op weg naar huis moet zijn, en kijkt op zijn mobiel. Ik vraag hem of die zoon wéét dat het zichtbaar is waar hij zich bevindt. ‘Natuurlijk,’ zegt de vader.
Mooi begin van de dag gisteren: in de radioreclame vóór het nieuws van half 7 waren The Rolling Stones al te horen, piepklein lekker fragment van de plaat die gisteren verscheen, Foreign Tongues. De liefhebber wist het al: 10 juli, dag om aan te kruisen in je agenda, nieuwe Stones, bijzonder dag dus, beetje een feestdag zelfs. Zal niet iedereen vinden, maar ik wel. In 1963 kocht ik hun eerste plaat, geen elpee, daar had ik geen geld voor, nee, singletje: It’s All Over Now.
Van de rooms-katholieke kerk nam ik lang geleden afscheid, want dat deed je nu eenmaal als puber en daarna kwam het er niet meer van dat afscheid ongedaan te maken. Veel rooms-katholieke gebeurtenissen staan me wel nog helder voor de geest. Normaal leiden ze een slaperig bestaan in mijn herinneringen, maar ineens kunnen ze worden wakker gemaakt, meestal door iets wat ik lees.
In deze buurt moeten we ons afval zelf adequaat regelen. Twee keer per week komt de vuilniswagen, maar glas en papier moeten in bakken een eindje verder om de hoek, gescheiden, glasbak, papierbak.
Voor me fietst een man die ontzettend hard Happy Birthday fluit, niet alleen hard, maar ook ontzettend zuiver. Net kunst. En als het klaar is begint hij opnieuw. Ik blijf even achter hem fietsen, want van dat soort uitingen word ik altijd nieuwsgierig. En vrolijk.
Behalve de sportvraag ‘Wat ging er door je heen?’ is er een nog ergere. Maar ‘Wat ging er door je heen?’ is al erg. Er zijn varianten van: ‘Wat doet het met je?’ en ‘Hoe voelt het nu?’. Misschien nog wel een paar, maar die heb ik verdrongen. Ik schreef er al vaker over, verbaasd als ik ben dat het maar niet ophoudt. Niet door mij, nee, er moet toch een hoofdredacteur zijn die er een punt achter zet.
Bij een studio waar ik voorstelling voorbereid, hoort een kleine keuken. Op het bakje waarin vorken liggen staat ‘vorken’. Op het bakje met de messen ‘messen’ en het zal niemand verbazen dat op het bakje met de lepels ‘lepels’ staat. Vertederende overbodigheid. Je kunt zeggen: dat zie je toch. Maar het is ook een eerbetoon aan de identiteit van de dingen. Je gaat er minder achteloos mee om. Dat bevalt me.
Gelukkig was er een paar honderd meter verder een tankstation, want ik moest even tot rust komen, geschrokken als ik was door een bericht op de autoradio.