We kennen het vast allemaal: er is iemand gestorven, familielid, vriend, dierbare kennis, je hebt veel met de overledene meegemaakt en op de uitvaart kom je iemand tegen die zegt dat die het familielid, vriend of dierbare kennis nog vlak voor zijn (m/v/x) dood gesproken heeft en dat die toen zei - en dan kom er iets wat je he-le-maal niet wist en daar voel je je nogal ongemakkelijk bij: hoezo, ik ging toch heel vertrouwelijk met hem om, we wisten alles van elkaar, wat we ook vaak zeiden: `Ja, wat bijzonder hè, dat we alles van elkaar weten.’
In de hete zomer van 1974 was ik in Rome op bezoek bij een vriend van mijn ouders. Hij was filosoof en priester en had een hoge functie binnen het Vaticaan, een omgeving die hij fascinerend vond, maar tegen de autoritaire starheid ervan voelde hij ook weerzin: “Het duurt zeker nog een eeuw voordat er hier wat verandert dat van wezenlijk belang is.”
Je moet het ijzer smeden als het heet is, er al dus wel een uitgever zijn geweest die al tijdens de paasdagen Pieter Omtzigt belde: “Zeg, u schrijft toch wel een boek over uw tijd in de politiek en graag alsjeblieft over het laatste jaar.” De heer Omtzigt zei geschrokken dat hij hier uiteraard even over moest nadenken, maar daarmee liet de uitgever zich niet van de lijn jagen: “En daar moet u dus niet te lang over doen, want u weet hoe dat gaat: ons geheugen voor politici is vrij beperkt, u wordt snel een vage herinnering.”
Niets is lang geleden, maar toch best wel als ik denk aan een column die ik ooit schreef voor deze dag, de dag voor Pasen. Was bij ons thuis een begrip. Rooms-katholiek gezin, niet fanatiek, maar toch, de vastentijd was voorbij, morgen de belangrijkste christelijke feestdag en er was nog iets: de zomer kwam er nu echt aan. Waarschijnlijk maakte ik het mezelf wijs, maar op paaszaterdag was dat echt sterk te merken, guller licht in lucht. Heb ik nog steeds: misschien ergens ver weg, maar hij is in aantocht, de zomer van 2025. Misschien doet die dit tragische jaar goed.
Gaat me niet om het geld, zeg ik er meteen bij, maar ik vind een fooi geven vaak lastig. Ik heb het nu over de fooi als verschijnsel. Ik doe het altijd, bijna altijd. Soms loopt de omgang van de bediening met jou als klant de spuigaten uit en dan dus niet. Ik bedoel: die fooi moet wel ergens over gáán.
Woord dat steeds zwaarder in deze weken hangt en er misschien al log is uit getuimeld of dat gauw doet: voorjaarsnota. Hele tijd is daar iets mee, terwijl het een woord is dat ook iets vrolijks heeft, wat komt door het eerste deel ervan: voorjaar. Het jaar moet nog écht op gang komen en alles wat we graag van plan zijn stellen we nog even uit, want dat mág van het voorjaar. Voorjaar is een woord dat over beloftes gaat, over een nieuwe tijd, over vers optimisme.
Je informeert er niet naar, want je wilt niet de wijsneus uithangen, maar soms zou ik best willen weten wat je wordt gevraagd als je in een winkel gaat werken. Wat je erin aantrekt, wat je denkt dat je kunt, of je op Nederlandse les zit als je die taal niet spreekt? Geen idee. Of je het niet erg vindt beetje vriendelijk te zijn en of je niet al te gauw last hebt van rare vragen van klanten die bijvoorbeeld niet weten waar iets ligt?
Misschien gek, nee, niets is gek in wat ik nu aansnijd: ik was ervan overtuigd dat minister Faber gisteren haar aftreden zou bekendmaken. Dag kabinet. Die verwachting was de nacht daarvoor plotseling in me tot leven gekomen, niet eens in een droom. Voordat ik ging slapen had ik de persconferentie van de premier gelezen. Meestal kijk ik daarnaar op vrijdagavond, maar het was er niet van gekomen. De letterlijke tekst wordt gepubliceerd, de vragen (ook door wie) en de antwoorden van de premier.
Ergens vorig jaar moest ik in een boekhandel een bevlogen praatje houden en daarna mijn handtekening in door mij geschreven boeken zetten, altijd eervol. Toen ik daarmee klaar was, kwam er een vrouw aan mijn tafeltje en vroeg waar de boeken over hengelsport stonden. Ze dacht dat ik bij de boekhandel hoorde, wat indirect misschien ook het geval was, en zei dat haar man al paar keer had gezegd dat vissen hem een leuke tijdsbesteding leek, maar dat hij die stap maar niet zette. Vandaar het boek dat hem over de streep kon trekken.
Dan lees ik dat Robert ten Brink voor zijn programma All you need is love met families naar Australië reist om ze met hun familie die daar woont, te verenigen, nadat ze elkaar járen niet gezien hebben. Ja, misschien via digitale verbinding, maar dat is toch iets anders.